Zidane spuugt

De films in Rotterdam duwen me van links naar rechts. Ik luister naar Chinese dialogen in een trein op weg naar het noorderlicht, zie een Canadese regisseur zijn 8-millimeterfilms vertonen en hou de adem in als een man met een zak over zijn hoofd zijn vriend vraagt om poepseks.

Dan duikt de film Zidane op.

Bijna twintig camera’s staan rond het veld van het stadion Bernabeu in Madrid gericht op een van de beste voetballers van de wereld, Zinedine Zidane. De cameramensen hebben maar één opdracht: bespied Zidane, negentig minuten lang, tijdens de wedstrijd Madrid tegen Villarreal op 23 april 2005.

Zidane is niet gek. Hij weet natuurlijk dat de filmmakers hem de hele wedstrijd zullen volgen. En toch lijkt hij de spiedende camera’s al aan het begin te vergeten. Acteren kan Zidane niet. Hij is echt. We mogen alles zien.

Al na een paar minuten begint hij af en toe te spugen. Niet van die grote klodders in de traditie van Frank Rijkaard, verkoudheidsspuug dat in vertraging als een flikflakkende turner door de lucht draait. Zidane spuugt subtieler; hij lijkt dunne schilletjes van zonnepitten tussen zijn lippen weg te schieten.

Het valt me ook op dat hij ongelijk loopt. Alle wereldsterren lopen ongelijk. Zidane loopt met twee voeten een klein beetje naar binnen gedraaid. Dat staat slim. Denk maar eens aan voetballers met de voeten naar buiten, daar staat vaak een domme kop op.

Na een kwartier kijken valt het op dat Zidane tijdens het wandelen telkens even met de punt van zijn schoen over het gras gaat. Het is een tic. Ik denk dat zijn tenen door die beweging even los zijn van de knelling in de punt van de schoenen.

Zidane loopt en hij loopt maar. Kilometers, in zijn eentje. De bal is meestal niet in de buurt. Je ziet hem denken en rekenen, terwijl hij lange lijnen trekt over het veld. Als kijker volg je in een wedstrijd vaak de bal. Nu word ik gedwongen om op de rug van Zidane te reizen over het gras van Madrid.

We horen een tekst van Zidane terwijl we zijn benen – als van het paard van Ankie – in piaf zien gaan. „Als kind hoorde ik tijdens voetbal een stem in mijn hoofd. Van een beroemde commentator uit de jaren zeventig, PierreCiangoui. Ik hoorde niet de woorden, alleen maar de toon, het accent, de atmosfeer, dat was alles.”

Af en toe worden zijn almaar malende hersens gestoord door een onverhoedse beweging van een andere voetballer. Dan moet het er even uit, in spaarzame klanken, vaak is het niet meer dan: é, e!

Zidane zegt een kuchje tussen honderdduizend toeschouwers te kunnen horen. Maar dat hij zelfs een horloge op de tribune hoort tikken, wil er bij mij niet in.

Aan het einde van de wedstrijd wordt de montage sneller. De kop van Zidane blijft uiterlijk hetzelfde, maar van binnen trillen een paar draadjes los. Hij ramt een tegenstander die even daarvoor te wild was geweest. De scheidsrechter trekt rood. De briljante beul loopt moederziel alleen tussen het Madrileense volk door de tunnel in. Het is het einde van een film.

Mag ik nog één slotzinnetje na de aftiteling? Dit: ruim een jaar later maakte Zidane na een uitgedeelde kopstoot eenzelfde gang naar de kleedkamer.

Fin.

    • Wilfried de Jong