‘Virginia Woolf’ is mooie bokswedstrijd

Toneel: ‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’ door Hummelinck Stuurman. Tournee t/m 19 mei. Inl. 020-6164004 of www.hummelinckstuurman.nl.

Een toneelvoorstelling moet een mooie wedstrijd zijn, vond Bertolt Brecht. Een goed gevecht. Dat geldt in hoge mate voor Wie is er bang voor Virginia Woolf? (1962) van Edward Albee, een bokswedstrijd op leven en dood voor twee echtelieden, in drie slopend lange rondes. Martha en George, ze zijn teleurgesteld in elkaar, in het leven, en ze zijn kinderloos gebleven. Dus stoken zij hun liefde op met drank, ruzie en fictie en koesteren hun zelfverzonnen mythes, met in het middelpunt hun fictieve zoon. Rituelen zijn het, die volgens steeds dezelfde regels worden opgevoerd. En wie de regels overtreedt, wordt hard teruggepakt en moet voor straf een droom inleveren.

Regisseur Gerardjan Rijnders waagt zich aan een nieuwe versie voor vrije producent Hummelinck Stuurman. Hij plaats zijn twee vechters, Olga Zuiderhoek en Porgy Franssen op een leeg toneel, waar twee Chesterfield bankstellen naast elkaar staan. Achter de banken ligt een rommelige stapel boeken. Het achterdoek is hemelsblauw; naarmate de ruzienacht vordert, wordt het doek steeds lichter. Rijnders gebruikt de oervertaling van Gerard Reve uit 1964, maar hij heeft die flink gemoderniseerd en wat dichter naar het Amerikaanse origineel teruggebracht. In één geval heeft hij een expliciete passage, die Albee zelf had geschrapt, weer teruggehaald. Dat is de passage waarin zijn gast Honey vertelt van haar abortussen. Minder expliciet was die passage beter. Een belangrijker ingreep is dat hij de uitputtingsslag stevig heeft ingekort zonder dat je de knipjes ziet. Deze afgeslankte Virginia Woolf duurt nog geen twee uur zonder pauze.

Zuiderhoek speelt haar bekende tijgerin met de lage stem. Ze blijft rustig zitten, suggereert vooral de voorgeschreven schreeuwpartijen, met hier en daar een grauwende uithaal. Zeker van haar overwinning beukt ze in op de tegenstander. Franssen is de underdog, hij vlindert voortdurend zenuwachtig rond en probeert met zijn hese stem de stoten af te houden.

Dat George en Martha diep van elkaar houden – essentieel om de tragiek van de ruzie te doorgronden – laten Zuiderhoek en Franssen duidelijk zien. Toch overheerst hier het komische, de energie die je van de wedstrijd krijgt. Hoe bewonderenswaardig feilloos deze opvoering ook is – met mooie bijrollen van Eline ten Camp en Ruben Brinkman – echt tragisch is ze niet. Verrassend is Rijnders’ interpretatie ook niet – zeker niet gezien zijn reputatie als stukkenbreker. Die van regisseur Mirjam Koen twee jaar geleden was veel onconventioneler. Maar ook een gewone, mooie Virginia Woolf is prachtig. Al zou je deze klassieker duizend keer opvoeren, dan nog zijn er nieuwe lagen en details in te ontdekken.

Franssens virtuoze shuffles kunnen niet verhullen dat hij in de touwen hangt, geen verweer heeft tegen de vernederende slagen van Zuiderhoek. Maar het kan ook tactiek zijn; om de tegenstander uit te putten, zoals Muhammad Ali in de wedstrijd tegen George Foreman in 1974 in Zaïre. Want net als Zuiderhoek genoeg heeft van de schijnbaar ondermaatse partij, haalt Franssen onverwacht en vernietigend uit. Ze valt langzaam en sierlijk.

    • Wilfred Takken