‘Sta je op een terreurlijst voor het leven?’

Een Syrische Canadees werd door de VS ten onrechte verdacht van terreur en aan Syrië uitgeleverd, dat hem martelde. Van Canada kreeg hij excuses, maar de VS halen hem niet van de zwarte lijst.

Maher Arar, vorige week (Foto AP) Canadees Arar, die werd gemarteld in Syrië na uitlevering door VS, wil van zwarte lijst af Maher Arar smiles as he discusses the governments apology and compensation package at a news conference in Ottawa, Friday, Jan. 26, 2007. The prime minister apologized Friday to the Syrian-born Canadian and announced a compensation package of $8.9 million for Ottawa's role in his deportation by U.S. authorities to Damascus, where he was tortured and imprisoned for nearly a year. (AP PHOTO/CP, Tom Hanson) Associated Press

Bijna compleet is het opmerkelijke eerherstel van Maher Arar, de Canadese computeringenieur die ten onrechte door de Verenigde Staten naar Syrië werd gedeporteerd op verdenking van banden met Al-Qaeda. Arar, een Syriër van geboorte die in 2002 werd aangehouden bij een overstap op de luchthaven JFK in New York, verbleef tien maanden lang in een onderaardse cel in een militaire gevangenis nabij Damascus. Hij werd gemarteld, en had weinig reden om aan te nemen dat hij zou overleven.

Maar hij kwam vrij, keerde in 2003 terug naar Canada, en ondernam een campagne om zijn naam te zuiveren. Met onwaarschijnlijk veel succes. Vrijdag bood de Canadese regering Arar haar verontschuldigingen aan voor de rol die Canada speelde bij zijn martelgang. Premier Stephen Harper kondigde tevens aan dat Arar een schadevergoeding krijgt van 11,5 miljoen Canadese dollar (7,5 miljoen euro). In ruil laat Arar een rechtszaak varen die hij tegen de Canadese overheid had aangespannen.

„Ik hoop oprecht dat deze woorden en daden u en uw gezin zullen helpen te beginnen aan een nieuw hoofdstuk in uw leven”, zei Harper tegen Arar. Die nu wellicht ’s werelds bekendste slachtoffer is van extraordinary rendition – het omstreden Amerikaanse beleid om terreurverdachten naar landen te sturen waar ze kunnen worden gefolterd. Eerder leidde de zaak-Arar tot het ontslag van het hoofd van de Canadese politie, de RCMP.

De Canadese verontschuldiging, de eerste ooit aan een voormalige terreurverdachte, volgde op een uniek openbaar onderzoek naar de toedracht van Arars deportatie, ingesteld in 2004. Een onderzoeksrechter concludeerde vorig najaar dat Arar in de periode na 11 september 2001 ten onrechte door een antiterreureenheid van de Canadese politie was aangemerkt als een moslimextremist, nadat hij was gezien in het gezelschap van een man die eveneens in de gaten werd gehouden. Arars naam belandde op een lijst verdachten die werd doorgespeeld aan de VS.

Na zijn aanhouding in New York werd Arar niet afgevoerd naar Canada, het land waar hij al twintig jaar woont, maar naar zijn geboorteland, Syrië. Mensenrechtenorganisaties menen dat dat gebeurde omdat hij daar kon worden gemarteld. Volgens de onderzoeksrechter deelt Canada verantwoordelijkheid voor de deportatie, onder meer door Arars naam op een onzorgvuldige manier te hebben doorgegeven aan de VS. Ook zouden Canadese diplomaten in Syrië de resultaten van Arars ondervraging hebben teruggespeeld naar Canada zonder te vermelden dat Arar waarschijnlijk werd gefolterd.

Harper bood zijn excuses aan voor „dit vreselijke onrecht”. Voor de 36-jarige Arar, die sinds zijn terugkeer geen werk heeft kunnen vinden en kampt met emotionele problemen, was dat de kroon op een jarenlang, moeizaam proces. „De regering van Canada heeft mijn onschuld erkend”, verklaarde hij. „Dat betekent alles voor me.”

Toch ontbreekt er nog een cruciaal aspect aan Arars markante rehabilitatie: de Verenigde Staten weigeren zijn onschuld te erkennen. Ondanks herhaalde verzoeken van Canadese politici, onder wie Harper en minister van Veiligheid Stockwell Day, aan hun Amerikaanse collega’s om Arar van hun terreurlijst te verwijderen, heeft de regering-Bush laten weten hem op de lijst te laten staan. Michael Chertoff, de Amerikaanse minister van Binnenlandse Veiligheid, liet per brief weten dat de VS geheime informatie hebben over Arar die zijn plaats op de ‘terror watch list’ rechtvaardigt.

Medestanders van Arar vermoeden dat die informatie afkomstig is uit Syrië en verkregen bij marteling (Arar ‘bekende’ daarbij te hebben gebivakkeerd in een trainingskamp van Al-Qaeda in Afghanistan). Minister Day heeft inzage gekregen in het Amerikaanse dossier over Arar, en hij zei dat er „niets nieuws” in staat. Harper heeft verklaard te zullen blijven aandringen bij de Amerikanen om Arar van hun lijst te verwijderen. „Wij menen dat het bewijs absoluut duidelijk is: Arar is onrechtmatig behandeld”, aldus de premier. „Hij hoort niet thuis op een watch list.”

De kwestie is deze maand uitgegroeid tot een diplomatieke rel tussen beide regeringen, elkaar ideologisch welgezind. Vorige week noemde David Wilkins, de Amerikaanse ambassadeur in Ottawa, het „brutaal” van de Canadezen om te denken dat ze zeggenschap hebben over „wie wij wel of niet tot ons laten toelaten”.

Ook in Washington breekt de zaak-Arar de regering-Bush inmiddels op. De Amerikaanse minister van Justitie, Alberto Gonzales, is over de kwestie ondervraagd door de Democratische senator Patrick Leahy, de nieuwe voorzitter van de Buitenlandcommissie. „We wisten donders goed dat als Arar naar Canada werd gestuurd, hij niet zou worden gemarteld”, riep Leahy tijdens een hoorzitting boos uit. „We wisten ook donders goed dat als hij naar Syrië werd gestuurd, hij wel zou worden gemarteld. Het is beneden de waardigheid van dit land om iemand naar een ander land te sturen om te worden gemarteld.”

Critici menen dat de Amerikaanse regering Arars onschuld niet wil erkennen omdat zij zich daarmee zou blootstellen aan een schadeclaim van een terreurverdachte. Arar heeft een rechtszaak lopen in de VS wegens schending van zijn mensenrechten.

Hij vroeg zich vrijdag hardop af in hoeverre geheime informatie veilig is in de handen van de VS: „Als iemand op een terreurlijst staat, hoe kan zijn naam daar dan afkomen? Sta je op een lijst voor het leven?”