Ook de winter van 1788 was uitzonderlijk zacht

Regelmatig kunnen we in de kolommen van NRC Handelsblad lezen over de dreigende opwarming van de aarde met alle gevolgen van dien. Ook deze zachte winter is voor menigeen een bewijs dat een desastreuze ontwikkeling in gang is gezet. Een kleine troost las ik deze week in een brief, gedateerd op 2 februari 1788, van dominee J.G.Staringh (hij schreef een h achter zijn naam uit deftigheid) uit Gouderak aan zijn neef, de latere bekende dichter A.C.W. Staring (1767 - 1840), die op dat moment aan de Georgia Augusta Universität in Göttingen studeerde.

De troostrijke zinsnede luidt: ”We hebben dusverre een ongemeen zagten winter gehadt. In `t laatst van Januarij quamen de oijevaars reeds bij mij nestelen. Een zeldzaam verschijnsel.”