Gelijkenis

Zoiets heet een surrealistisch tafereel. Midden in wat ik graag een rimboe zou willen noemen zijn er allemaal lampjes, als in die scène van Apocalypse Now van Francis Ford Coppola. Duizenden brandende lampjes. Er is een enorme tent, waaronder weer honderden plastic stoeltjes en tafels. Geluidsboxen en een luidruchtig bandje. Een buffet met alle denkbare Surinaamse gerechten, dat wil zeggen, nasi, bami en een erbarmelijke overvloedigheid aan kip.

Veel mensen van middelbare leeftijd, de vrouwen overdadig behangen met gouden sieraden, de mannen in hemden met lange mouwen. Ze zien er uit alsof ze het onvoorstelbaar goed hebben. Maar in Suriname is zo langzamerhand niets meer onvoorstelbaar.

Hier wordt een verjaardagsfeestje gevierd van een dame op hogere leeftijd, die een radiostation beheert en een beroemde zoon heeft in Nederland. Voor wie het wil weten: zoon heet Prem Radhakishun.

We worden aan de plastic tafeltjes bediend door schattige meisjes die allemaal een goed herkenbaar wit blousje en een zwarte rok aanhebben, opdat je niet per ongeluk aan een uitgenodigde gast vraagt om een biertje voor je te halen.

De jarige is ook herkenbaar, in een witte sari. Ze laat zich door iedereen begroeten, maar zit op een stoeltje zonder een tafel voor zich, diep in gedachten verzonken. Ik zei al: surrealistisch.

En dan is daar ineens de vicepresident van het land. In gezelschap van een ex-president met een slechte reputatie. En als je goed kijkt (en het uitgelegd krijgt) is er ook de minister van Landbouw en de minister van Volksgezondheid en nog zo wat hoogwaardigheidsbekleders. Zomaar zittend op plastic stoeltjes aan plastic tafels. Dat kan in Suriname.

Wat kennelijk ook kan in Suriname is dat ik naar de vicepresident toestap en hem zomaar een hand geef. En dat hij me vervolgens zijn kaartje geeft met het nummer van zijn mobiele telefoon en erbij vertelt dat als ik voor tien uur ’s morgens bel, ik hem dezelfde dag nog kan spreken. Voor een land dat niet helemaal functioneert volgens de internationaal geldende normen is dat behoorlijk verrassend.

Ik vertel dit de volgende dag aan een klas vol studenten (in Suriname ben ik namelijk ook zomaar benoemd tot docent taalbeheersing, werkelijk, alles kan). En zegt een creoolse vrouw op de eerste rij dat ze het helemaal niet verbazingwekkend vindt. ‘U lijkt op hem’.

Daar snap ik niets van. Er is hoegenaamd geen gelijkenis tussen mij (zie foto) en een treurig uitziende, donkere, dikbuikige en onderuitgezakte man die de vicepresident van Suriname heet te zijn. Ze ziet dat ik het niet begrijp en de hele klas vol studenten Nederlandse taalbeheersing ziet dat ik het niet begrijp en barst in lachen uit. Een andere student legt het uit: ze bedoelt niet dat u echt op hem lijkt, maar dat u van dezelfde cultuur bent als de vicepresident.

Ook dat wens ik te betwijfelen, al was het maar dat ik naar heel andere muziek luister dan de vicepresident van Suriname. En dan valt na enige geroezemoes en gelach het kwartje: o, ze bedoelt qua ras. De vicepresident is een Hindoestaan en ik ben een Hindoestaan en dus ‘lijken we op elkaar’. De creoolse vrouw op de eerste rij houdt zelfs vol dat het haar nooit gelukt zou zijn om de vicepresident een hand te geven en zijn mobiele telefoonnummer te bemachtigen.

Ik sta versteld van het eufemisme. In Suriname worden geen raciale termen meer gebruikt, men scheldt elkaar niet meer zo uitbundig uit als vroeger, we zijn een volk en een natie en duizend bloemen mogen er bloeien, maar elk ras wordt nog steeds subtiel onderscheiden, subtieler dan vroeger. In de krant lees ik dat de voorzitter van het parlement gezegd heeft dat ‘wij’ nu aan de beurt zijn. Hij bedoelt dus: wij Javanen, want hij is een Javaan. En met de beurt bedoelt hij openlijke voortrekkerij op grond van ras.

Het verbaast me dat ik zo was afgeleid door de verhalen van de harde kern der nationalisten die beweren dat het hier gaat om één volk en één natie en zo voort. Klopt niets van. Vroeger was Suriname tamelijk overzichtelijk, er waren creolen in de stad en Hindoestanen op het platteland en Javanen en een paar chinezen en in het bos woonden de boslandscreolen en nog een paar indianen.

Nu zijn de boslandscreolen naar de stad gekomen en worden ze ‘blauwkoppen’ genoemd en zeer gewantrouwd door de stadscreolen die zich nu zelf negers noemen. Maar alleen zij mogen zich zo noemen, het is een term uit de hiphopcultuur, want ze doen aan niets denken aan negers, daar zijn ze te licht gekleurd voor, maar het woordje ‘neger’ voelt kennelijk hip.

En onder chinezen maakt men het onderscheid tussen beschaafde chinezen, die hier al vele generaties wonen, en ‘wilde chinezen’, die net uit China zijn aangekomen in het kader van de warme samenwerking tussen het oprukkende China en het kleine Suriname dat ook iets wil betekenen in het proces van globalisering.

Hindoestanen maken onderling het onderscheid tussen donkere Hindoestanen en lichte Hindoestanen. Ik ben hier een lichte Hindoestaan, want woonachtig in Nederland en houder van een Nederlands paspoort. Donkere Hindoestanen hebben een Surinaams paspoort.

Het is geen scherp onderscheid. De vicepresident is namelijk een donkere Hindoestaan en ik ben een lichte Hindoestaan en toch gaf hij mij zijn mobieletelefoonnummer, omdat we kennelijk op elkaar lijken, zoals de creoolse vrouw op de eerste rij in de klas voor Nederlandse taalbeheersing zei. En ik mag haar geen negerin noemen, dat mag zij alleen zelf, voor mij blijft ze een creoolse vrouw op de eerste rij die dus in ieder geval niet op mij lijkt. Het is belangrijk, taalbeheersing.

ramdas@nrc.nl