Eén dichter past gedicht aan na een optreden

Op de slotdag van het Weerwoordfestival discussieerden dichters over het belang van de voordracht. „Als schrijftafeldichter heb ik al twee slams gewonnen.”

Slonzige schipperstrui, verwarde haardos, een gaaf, knap gezichtje en Vlaamse tongval. Hij ging staan achter het katheder, helemaal 18 jaar en zijn eerste zin was: ‘Ik zal lief zijn’. De laatste regels van zijn gedicht, uit het hoofd voorgedragen, luidden: ‘Ik, ik ben de horizon/ mijn omhelzing duurt tot altijd.’

Simon van Buyten, onthoudt u die naam. Gisteren trad hij op tijdens de Weerwoordlounge in De Balie, een onderdeel van het Weerwoordfestival, waarbij het thema ‘De toekomst van de Letteren’ was. Of zijn zwaar-romantische verzen zo ver gaan dragen zal nog blijken, maar voorlopig etaleerde dit jonge manneke een duivelse charme.

Hij was gevraagd als één van de winnaars van de Kunstbende, een culturele jongerenwedstrijd en een even oude landgenoot en medewinnaar, Benjamin van Synghel, toonde een al even groot podiumbewustzijn.

Presentatie op het podium was ook het onderwerp van een discussie met vier aanstormende, volwassen dichters, de debutanten Pim te Bokkel, Florence Tonk en Hélène Gelèns, en Annemieke Gerrist, die later dit jaar debuteert. Tonk en Gelèns maken, met Lucas Hirsch en Els Moors, deel uit van een uitstekende nieuwe lichting in de poëzie.

Tegenwoordig gaat veel optreden vooraf aan debuteren met een bundel. Aan het viertal werd, na een optreden van de nationale slamkampioen Peter Krijn Hesselink, die het publiek eenvoudig inpakte, de vraag gesteld of zij óók ‘kampioen’ zouden willen worden. Maar slammen vonden ze toch echt wat anders. Alleen Gerrist zag slammen – dichten in toernooivorm, waarbij het gejuich in de zaal en een jury even zwaar tellen – als „een manier om laagdrempelig aan publiek te komen. Dat zij ‘een schrijftafeldichter’ is, zag ze niet als bezwaar. „Ik heb twee slams gewonnen, ook al lees ik ‘trage’ poëzie voor.”

De term ‘trage’ poëzie werd vervolgens in de discussie aangehouden, kennelijk als tegenhanger van de gevatte gedichten met een u-snapt-hem-wel-knipoog van Hesselink. Optredens helpen hen niet bij het schrijven, zeiden ze, al had Gelèns één keer geëxperimenteerd met een half af gedicht op het podium en het na afloop veranderd. Het enige wat veel optreden echt oplevert is de vaardigheid om op te treden. Te Bokkel: „Poëzie voordragen is een kunst.”

Dat mochten ze vervolgens laten zien, en inderdaad, dat deden de debutanten met een zekere vaardigheid. Het is dan toch de poëzie die moet overtuigen. Dat lukte Tonk het beste, zoals met ‘Gemeen gedicht’: ‘Ze kijkt als ze danst of ze neukt/ ze kijkt als ze danst zoals ze denkt/ dat men kijkt als men neukt’. Dat zijn overigens teksten die de applausmeter bij een slam-wedstrijd ook flink zouden doen uitslaan.

Hoe poëzievoordrachten ook spannend kunnen worden gemaakt, toonde even later het onderdeel ‘Wordscape’. Daar lazen de dichters over de geïmproviseerde muziek van een zeskoppige band. Zelfs de treiterige antivoordracht van Erik Jan Harmens kreeg vleugels.

    • Ron Rijghard