De vrouw van tien miljoen

De nieuwe directeur van het Amsterdamse Slotervaart-ziekenhuis is de uit Turkije afkomstige zakenvrouw Aysel Erbudak. Ze heeft grote plannen, maar de vakbonden zijn onrustig.

‘Met een vreemde achternaam kom je in Nederland niet voorbij de telefoniste.’ Foto Bram Budel Aysel Erbudak de nieuwe eigenaresse van het Slotervaart Ziekenhuis, op het plein voor het ziekenhuis. Voor Maandag profiel, niet aansnijden aub! FOTO: BRAM BUDEL Aysel Erbudak bestuurt ziekenhuis als een bedrijf Budel, Bram

Zij heeft maar mooi de ego’s van blanke, mannelijke beroepsbestuurders in de zorg stukgeslagen, zegt Aysel Erbudak (38) in haar kantoor op de tweede etage in het Slotervaartziekenhuis in Amsterdam-West. Verschillende gelegenheidsconsortia en partijen in de gezondheidszorg aasden op de overname van het Slotervaart, dat zo goed als failliet was. Sinds oktober is zij de nieuwe eigenaar van het ziekenhuis. „Wat zij niet voor elkaar konden krijgen, heeft een kind van een gastarbeider wel mooi gerealiseerd.’’

Aysel Erbudak bezit acht bedrijven, samen met haar zakenpartner Jan Schram. Bij nog eens 21 bedrijven is zij „op de een of andere manier” betrokken als adviseur of bestuurder. Zij heeft callcenters, een kliniek in aanbouw en een vakantiepark van 180.000 vierkante meter in West-Turkije. Zoals ze die bedrijven leidt, leidt ze het ziekenhuis. Ze bemoeit zich met alles. Ze sluit geen compromissen. Overlegt alleen als daar aanleiding toe is. Haar medebestuurder en internist Dees Brandjes: „Onderweg naar een duur advocatenkantoor, bespreken we nog in de auto het plan te volgen om, zeg, naar rechts te gaan. Als we aan tafel zitten steekt Aysel drie sigaretten op en ineens gaat ze met een scherpe bocht naar links. Je ziet iedereen nerveus naar elkaar kijken. Maar het gaat altijd goed.”

Bestuurder Diana Monissen van zorgverzekeraar Agis herinnert zich een gesprek met Aysel Erbudak. Zij aan de ene kant van de tafel. „Aysel tegenover me. Ze had net als ik vier adviseurs bij zich – een controller, een econoom, een jurist, een arts. Tijdens het gesprek wees ze hen op haar papieren, stuurde briefjes door. Het was duidelijk dat zíj de regie had.”

Erbudak is als derde van zes kinderen geboren in het afgelegen bergdorp Damal, in het uiterste oosten van Turkije. Een broertje overleed, omdat hij niet tijdig door een arts werd behandeld. Vader verdiende de kost als productiemedewerker in een platenfabriek in Bunschoten. Hij sneed de metaalstukken. In 1979 liet hij zijn gezin naar Nederland overkomen. Aysels jongste zus Gülsen over hun beginperiode in Amersfoort: „We kenden de taal niet, we kenden niemand. Mijn zussen en ik waren elkaars steun en toeverlaat. Aysel was erg ambitieus. Ik en mijn andere zus spijbelden weleens, Aysel nooit. Zij wilde ergens komen, een echte baan met aanzien hebben.”

Aysel werd geplaatst in de vierde klas van de lagere school. Toen ze twee jaar later naar het gymnasium wilde, liet de schoolleiding haar niet toe. Aysel was nog te kort in Nederland om de taal behoorlijk te beheersen. „Ik sprak perfect Nederlands.” De mavo maakte ze niet af. Daarna kwam ze te werken bij de gemeente Amersfoort. Collega’s sloten een weddenschap af, dat ze niet zou worden toegelaten tot de hbo-opleiding Maatschappelijk werk omdat ze niet de juiste vooropleiding had. Op de dag dat ze werd toegelaten tot het hbo, nam ze ontslag bij de gemeente.

Erbudak ging werken bij een administratiekantoor in Amersfoort, dat voor bedrijven btw terugvorderde. Ze nam het kantoor over voor één gulden, en, naar later bleek, met 250.000 gulden schuld. Ze zocht een financier. Die vond ze niet. Wel sprak ze in die tijd iemand van een uitzendbureau. Die had personeel nodig. Ze stapte koffiehuizen binnen: ‘Jullie wilden toch een baan?’.

Het uitzendbureau haakte af. Ze ging zelf opdrachtgevers zoeken voor de mensen die zij een baan had beloofd. Voor de mensen die zij aan het werk kreeg, droeg ze te weinig premies af. Haar Nederlandse ex-vriend, die ook haar boekhouder was, speelde de documenten door naar de instanties nadat Erbudak hun relatie had beëindigd. Eind 2000 werd ze in hoger beroep veroordeeld tot vijftien maanden cel wegens fiscale fraude. Die straf werd omgezet tot een taakstraf, die ze nog altijd moet uitdienen.

Aysel Erbudak ging toen nog door het leven onder een andere naam. De directeur van het administratiekantoor had haar geadviseerd om een Nederlandse achternaam aan te nemen. Dat deed ze, die van haar toenmalige vriend en vader van haar twee oudste kinderen, Van Waveren. Nu zegt ze: „Mensen zeggen niet dat ze je op je afkomst beoordelen, maar met je vreemde achternaam kom je niet voorbij de telefoniste. Pas als je eenmaal op een bepaalde post zit, maakt het niet meer uit.” Op de dag dat ze directeur werd van het Slotervaart, nam ze haar eigen Turkse achternaam weer aan.

Ze kocht het ziekenhuis met onder andere het geld van Jan Schram. Hij is een vastgoedondernemer, multimiljonair en grootaandeelhouder van Erbudaks bedijf Meromi. Hij financiert de bedrijven waarvan Aysel Erbudak directeur en/of mede-eigenaar is. Wim Zegwaard (Quote 296), die rijk werd met afval en auto’s, zou haar voornaamste adviseur zijn.

Zegwaard is een persoonlijke vriend, zegt Erbudak stellig, en niet haar adviseur. Woest wordt zij van de suggestie alsof zij „een dom ding’’ zou zijn dat niets voorstelt of niets zelf kan doen. Overname van het Slotervaart was haar idee. „Ze is een van de meest talentvolle ondernemers in Nederland’’, zegt Wim Zegwaard. Je kunt, zegt Zegwaard, beter een uur met Erbudak praten dan een jaar naar de universiteit gaan. Erbudak: „Mensen hebben moeite te accepteren dat ook allochtonen goed kunnen zijn. Ze denken dat achter elke succesvolle allochtoon Hollanders moeten staan. Talent is niet afkomstgebonden.’’

Het bedrijf van Aysel Erbudak, Meromi (genoemd naar haar drie kinderen), mocht aanvankelijk van de zittende bestuurders van het Slotervaart het ziekenhuis niet kopen. De woningcorporaties die het wel mochten kopen, haakten op het laatste moment af. Een dag voor de Belastingdienst tien miljoen euro aan schuld zou opeisen, belde de jurist van het Slotervaart Erbudak op. Een uur later zat ze aan tafel in het Slotervaart. Een dag later maakte ze het geld over.

Dat is drie maanden geleden. De medewerkers van het Slotervaart beginnen zich zo langzamerhand zorgen te maken. Ze willen een plan zien. Ze weten dat de drie bestuurders dag en nacht werken, maar ook dat die geen van allen ooit een ziekenhuis hebben geleid. Cok de Koning, lid van de ondernemingsraad en kwaliteitscoördinator: „We zouden het allemaal graag wat formeler zien. We bespreken dat een afdeling op een bepaalde manier wordt ingericht en dan zeggen ze later dat ze dat niet zo bedoeld hebben. Niets staat op papier. Het is erg ad hoc allemaal.”

Eric Maas, regionaal bestuurder van vakbond Abvakabo FNV: „Als we zeggen dat we iets op papier willen zien, zegt Aysel Erbudak dat ze er over na zal denken. Als we doorvragen, zegt ze: ‘Vertrouw je ons soms niet?’. Krijgen we gebakkelei over dat soort dingen.” Maas spreekt over een „zwabberbeleid”.

Internist en medebestuurder Dees Brandjes van Meromi zegt dat hij de afgelopen jaren veel dure plannen voor en over het Slotervaart voorbij heeft zien komen: „In kleurendruk, geprint, met ringband. Er kwam nooit iets van terecht. Het Slotervaart werd in 35 jaar door 25 directeuren geleid. Met name de laatste jaren zaten er veel interim-directeuren. Dat heeft dus niet mogen baten, het ziekenhuis was al zo goed als failliet.”

Na de overname van het ziekenhuis wilden de vertegenwoordigers van de bonden regelmatig met Erbudak overleggen. „Ik heb ze gezegd: ik respecteer het sociaalplan dat tot 2011 van kracht is. Ik zeg jullie toe dat er geen ontslagen vallen, meer valt er niet te zeggen. En ga nu van mijn tafel af, ik heb een bedrijf te runnen.” Bonden, vint Erbudak, zijn in het systeem van Nederland waar alles overregeld is, totaal overbodig.

Het bestuur heeft wel degelijk een „masterplan”, zegt Brandjes. Het is nog te vroeg, zegt hij, om de details van het plan nu in te vullen. „Het ziekenhuis moeten we eerst volledig strippen en het dan weer opbouwen. Toen we begonnen, hebben we eerst alle interim-directeuren de deur uit gekieperd. We hebben de gaten bijna gedicht. De leveranciers worden weer binnen 30 dagen betaald, in plaats van na 120 dagen. Als we in alle overbodige kosten hebben gesneden gaan we het weer helemaal opbouwen met maar één credo: voor de patiënt moet het beter worden.” Wanneer ze gaan bouwen? Over een maand of twee, drie, zegt Brandjes „maar pin me er niet op vast”.

Op een dag, ze was nog 17 jaar, kreeg Aysel Erbudak tijdens het winkelen ruzie met haar vader. Toen ze thuis kwam zat er een jongen op de bank, met zijn familie. Hij kwam om haar hand vragen. Haar vader smeekte haar niet met die jongen te trouwen. Aysel zei ja. Hij zag er niet onknap uit, en Aysel wilde het huis uit. Na vijf maanden verbrak ze de verloving. Haar ouders zeiden dat geen man haar nog zou willen hebben. Tijdens de eerstvolgende zomervakantie in Turkije gaf ze haar ja-woord aan haar neef. Achteraf denkt ze om het ongelijk van haar vader te bewijzen en dat ze nog wel goed op de huwelijksmarkt lag. Het huwelijk duurde vijf maanden.

Na de echtscheiding wilden haar ouders niets meer met hun opstandige dochter te maken hebben. Vader Asir Erbudak: „Ik was het niet gewend, echtscheidingen en zo. Ik was bang voor de roddels van andere Turken.’’ Zus Gülsen: „Toen Aysel haar verloving verbrak, werd dat thuis besproken. De gemeenschap zou schande spreken. Dan deugt de hele familie opeens niet. Nadat ze was gescheiden, was zij besmet geraakt. Aysel was niet meer welkom thuis. Mijn ouders waren niet sterk genoeg om de druk uit de gemeenschap te weerstaan.” Alleen haar jongere zusjes bleven contact houden.

De omslag kwam tien jaar geleden, toen Erbudak het callcenter A2 oprichtte en er een succes van maakte. Zo nam ze revanche op de Turkse gemeenschap. Met haar vader werd het contact hersteld. Vader Asir praat: „Ik was bang dat Aysel na de echtscheiding op het slechte pad zou komen. Maar ik was voorbarig. Aysel werkte keihard om iets op te bouwen.” Zus Gülsen Erbudak: „Mensen die in het verleden nog slecht over ons gezin spraken, kwamen ineens massaal bij mijn ouders langs, om een baan voor hun kinderen te vragen. Daarmee was de familie-eer gezuiverd, dat was de ultieme wraak, zo hebben we dat met z’n allen ervaren, ook mijn ouders.” De invloed van de succesvolle dochter was groot. Gülsen: „Aysel fungeerde als een rolmodel voor ons allemaal. Mijn ouders maakten veel dingen met haar voor het eerst mee. Echtscheiding, ongehuwd samenwonen. Nu woon ik ook ongehuwd samen met een Nederlandse man. Ik ben ook nog zwanger. Mijn ouders accepteren dat, nu wel.”

Erbudak bracht met het gezin regelmatig vakanties door in Altinoluk, een badplaats aan de Egeïsche Zee. In de zomer van 2004 wilde Aysel van de burgemeester van het dorp weten of er problemen waren met het plaatselijke ziekenhuis in aanbouw. De eigenaar had zich op de financiering verkeken en wilde het verkopen. Burgemeester Ismail Aynur: „Mevrouw Aysel is jong, vrouw en uit Europa. Ik vroeg me meteen af: is zij wel gespecialiseerd genoeg? Is zij in staat het gebouw af te bouwen?” Die bedenkingen zijn er niet meer. Deze zomer moet het ziekenhuis opengaan en zal dan 250 mensen werk bieden. De burgemeester: „Zij is enorm belangrijk voor de lokale economie.”

Aysel Erbudak onderhandelt op dit moment met een zorgverlener om psychische zorg te verlenen aan oudere migranten in het Slotervaartziekenhuis. Ze stelt als voorwaarde dat de migranten eerst lichamelijk volledig worden onderzocht. „Als daar dan niets uitkomt, mag de arts zeggen dat hun klachten psychisch is. Artsen zeggen nu nog te snel dat de klachten van oudere migranten tussen hun oren zitten, zonder de patiënten serieus te hebben onderzocht. Soms speelt de taalbarrière ook nog mee. Ik heb zulke patiënten zien doodgaan.”

De volgende stap is om met de deskundigheid van de Nederlandse zorgverlener dergelijke patiënten, én lokale Turkse patiënten, te behandelen in Altinoluk. In dit „zorgoord” moet bijvoorbeeld ook gezinstherapie worden aangeboden. Erbudak zegt veel gezinnen van vooral Turkse Nederlanders van de tweede en derde generatie uit elkaar te zien vallen. „In een of twee weken willen we middels een intensieve therapie die gezinnen weer helpen functioneren.”

Haar vader heeft in ieder geval een zorg minder. Hij droomde van een betere toekomst voor zijn kinderen in Nederland. Die zijn allemaal goed terechtgekomen. Asir: „Aysel is directeur van een Nederlands ziekenhuis. Dat als een dochter van een gastarbeider. Wat een afstand heeft zij afgelegd! Dat is iets om erg trots op te zijn.”