‘Bij toneel moet je de taal verhevigen’

In ‘De geschiedenis van de familie Avenier’ staat Maria Goos’ eigen familie centraal.

Goos: „De personages begrijpen hun tijd niet.”

Maria Goos. Foto Leo van Velzen Maria Goos Toneel Met De geschiedenis van de familie Avenier schrijft Maria Goos een vierdelig feuilleton à la Heimat, waarin we een halve eeuw lang één familie volgen, en zo Nederland zien veranderen. Donderdag gingen deel 1 en 2 in première. „‘Avenier’ heeft de structuur van een langlopend feuilleton, maar moet wel in twee toneelavonden worden gepropt. Dat wreekt zicht: zeventien pesonages is teveel. [...] Blijft staan dat zij wederom haar grote gave toont om rijke, geestige dialogen te schrijven en daaruit mensen te scheppen van wie je kunt houden. Genieten en meeleven, daar gaat het toch om.” Wilfred Takken, 26 januari 2007 Tournee t/m 6 mei. Inl. 020-6269550 of www.hettoneelspeelt.nl Amsterdam, 11-01-07. Maria Goos. Foto Leo van Velzen NrcHb. Velzen, Leo van

Waslijnen hangen kriskras door de kamer, een kolenkachel brandt en er zijn lang niet genoeg stoelen voor iedereen. De sobere jaren vijftig herleven in de schouwburg van Velsen, waar Het Toneel Speelt een try-out houdt van De Geschiedenis van de Familie Avenier. Deel één van wat een vierluik over een gewone Nederlandse familie over een periode van vijftig jaar moet worden.

Schrijfster Maria Goos situeert aflevering 1 op de valreep van 1955. Het is oudejaarsavond en in een achterkamertje ligt Oma te sterven – of te doen alsof. De familie komt bijeen: Rita, die al jaren voor Opa en Oma zorgt; haar man Jan, die de klanten van zijn kruidenierszaak laat poffen; de caféhouders Christ en Pieternel die naar Australië willen emigreren; hun zoon Theo, ongelukkig verliefd op Saartje; Toos die vergeefs op haar zeeman wacht; weduwnaar Janus die keihard zaken doet; zijn zoon Kleine Janus die z’n vader veracht; en Saar; Jan en Rita’s joodse pleegdochter die het gevoel heeft in de familie te stikken.

Schrijfster Goos is een huiselijk type. Ze woont in Amsterdam, omringd door lichte chaos. De nieuwe pc doet het niet. Dochter Roos komt terug van de dokter. Echtgenoot Peter Blok, kruidenier Jan in het vierluik, moet ‘snelsnel’ ontbijten.

Emoties genoeg in het gezin Goos – de schrijfster van Familie kan uit eigen ervaringen putten. „Ik schrijf altijd over families, groepen, vrienden, milieus”, zegt ze. Het toneelstuk Cloaca ging over vrienden die elkaar verraden, in de televisieserie Pleidooi botsten werk en privéleven van een groep beginnende advocaten, en Oud Geld, ook een tv-feuilleton, was aan een tegen haar ondergang vechtende bankiersfamilie gewijd. „Veel mensen bij elkaar vind ik spannender dan een drama over een eenling. Omdat mensen elkaar zoveel aandoen. Weinigen zijn erop uit de ander te kwetsen, maar toch gebeurt het aan de lopende band, alleen maar uit een tegenstrijdigheid van belangen.”

Hoofdschuddend denkt ze terug aan een try-out van deel 2 van De Geschiedenis van de Familie Avenier, dat zich in 1970 afspeelt. „Na afloop zaten Carine [Crutzen] en Tsjitske [Reidinga] uitgeblust in de kantine. Tsjitske zei: ‘Nou staan we met zo veel mensen op het toneel en nog nooit heb ik me zo eenzaam gevoeld.’ Het komt doordat hun personages de tijd waarin ze leven niet begrijpen. Hun dromen zijn uitgekomen, ze hebben auto, huis en caravan, en toch zijn ze ongelukkig. De nieuwe vrijheid heeft ook onthechtheid gebracht. Er is iets verloren gegaan: een overzichtelijk, simpel leven.”

De inspiratie voor aflevering 1 was de familie Nuiten. De neven en nichten van Goos: volkse, directe mensen, uit Brabant, waar ze zelf in 1956 werd geboren. „De kolenkachel kan ik me nog wel herinneren. En in een zinken teil in bad gaan. De gang naar Opa en Oma elke week, naar een bovenhuis net als in de voorstelling, met lakens die in de kamer droogden zodat visite alleen elkaars voeten zag. Mijn oma was heel dominant. De schoondochter die inwoonde, was twintig jaar een huishoudster. Tante Rika, in het stuk heet ze Rita, moest hollen en draven met koffie en thee.

„De matroos Henk die niet terugkwam, dat is ook echt gebeurd. Alleen had ’ie niet een meisje verkracht, maar zwart gehandeld. Hij had voedsel van de koopvaardij aan de inlandse bevolking verkocht en daar moest ’ie voor zitten. Het geld dat ’ie gespaard had, stond op een depot en dat beheerde mijn vader. Jan heeft een kruidenierszaak, mijn vader had een smederij en die heeft het gespaarde geld van zijn broer daarin gestopt om faillissement te voorkomen. De zaak ging toch failliet, die broer kwam terug en het geld was op. Vaak was er ruzie in de familie, maar over dat verdwenen geld ging het nooit meer.”

Dat impulsieve van haar familie heeft zij ook. „Hier boven de Moerdijk schrokken ze daarvan. Dus ik ben me gaan beheersen. Alleen als ik me op m’n gemak voel, gooi ik er van alles uit.” En wat is voor het theater bruikbaarder: extraverte personages of juist binnenvetters? „Voor het theater zijn figuren die het overzicht niet hebben het mooist. Het publiek is de psycholoog van de gemankeerde karakters op het toneel. Die mensen in de zaal moeten kunnen zeggen: had ’ie nou maar zus of zo gedaan. Of: waarom spreekt zij dit en dat niet uit? Theater geeft je de mogelijkheid jezelf beter te beschouwen.”

„Ik hoop dat mensen over dit vierluik denken: dit was ons voorland. Dit waren mijn grootouders. Wat is er veel gebeurd in vijftig jaar!”

En hoe ging het met Goos in 1970? „Toen werd ik ontzettend opstandig. Samen met mijn moeder! Ik was veertien en zij zestig. Ze was drie jaar weduwe en voor ons was de anti-burgerlijke tendens van die tijd een bevrijding. Wij woonden tussen een betere en een slechtere buurt. In een straat die bij die betere buurt wilde horen. Klimmers zijn geen warme mensen. Toen mijn moeder weduwe werd, ging men daar onhandig mee om. Zij lag eruit en was woedend. Dat kwam mij weer goed uit.”

Goos’ schrijverij begon na haar vaders dood. „Mijn moeder raakte in een depressie. Ze zei niks meer en had ontzettende hoofdpijn. Ik was elf en stelde mezelf tot taak: ik wil dat ze weer praat en dat ze weer lacht. Dus ik vertelde verhalen. Zo heb ik ervaren dat vertellen levensreddend kan zijn. Als het al niet voor mijn moeder was, dan wel voor mijzelf.”

Het moeilijkst bij het schrijven van De Geschiedenis van de Familie Avenier was het vertellen van een coherent verhaal, met zoveel personages. Die coherentie vond Goos in de taal. „Ik heb gezocht naar een Algemeen Onbeschaafd Nederlands. Geen echt Brabants, maar met woorden die a-typisch zijn voor deze tijd. Zoals baljaren (schreeuwen) en hompiekurken (vrijen), en met een afwijkende grammatica. Mijn taal lijkt spontaan, maar in werkelijkheid is er geen hond die zo praat. Bij toneel moet je de taal verhevigen, je moet de emoties verhevigen, anders bereik je het schellinkje noch de gewenste magie.”

Jaap Spijkers, die in Cloaca een ranzige regisseur speelde, regisseert nu zelf. Het vierluik is zijn debuut in de grote zaal. Wanneer is een regisseur goed? „Als ’ie de bedoeling heeft een stuk tot z’n recht te laten komen. Ik houd niet van regisseurs die dwars op een stuk staan omwille van hun identiteit. Daar wordt een stuk zelden beter van. De tekst als transportmiddel voor de regisseur is een nachtmerrie voor een schrijver.”

Wanneer is een acteur goed? „Als ’ie een diepgaande interesse heeft voor het karakter dat hij speelt. Een acteur moet van elke zin en van elk woord het besef hebben dat een toon hoger of een toon lager een volstrekt andere emotie teweegbrengt. Als je de tekst ook nog eens kunt brengen alsof hij spontaan je bek uitkomt, dan ben je een heel eind.”

Wanneer is een voorstelling goed? „Als het publiek iets meemaakt. Het wil ontroerd worden, het wil lachen, het wil getroost worden. Ja, getroost worden! Dat je ziet dat iedereen ploetert en daarmee probeert te dealen.”

De 2 eerste delen van ‘De geschiedenis van de familie Avenier’ zijn nu te zien in de Stadsschouwburg van Amsterdam. Delen 3 en 4 volgen in 2008. Info: www.hettoneelspeelt.nl