Wroeten en sleuren, dat is pas wielrennen

Veldrijden is in België het sportieve anker van het wielrennen. De veldrijder heeft een imago van puurheid. Daar kunnen wegrenners alleen nog maar van dromen.

Toeschouwers kijken vanachter de nieuwe dranghekken naar de voorbereiding op het wereldkampioenschap veldrijden in Hooglede. Foto Rien Zilvold hooglede gits wk veldrijden foto rien zilvold Zilvold, Rien

Erik van der Walle

In gedachten ziet hij de Vlaamse boer voor zich die met het gezin rond de pan zit en een hartgrondige vloek slaakt. Als in een klassieke televisieserie. „Dat is voor mij veldrijden. Eenvoud, afzien, maar toch presteren.”

Sportsocioloog Bart Vanreusel zal morgen, net als talloze andere Vlamingen, het wereldkampioenschap veldrijden op de voet volgen. Een perfect theaterstuk in de Vlaamse modder. „Vroeger had je een rondreizend volkstheater, wij hebben het veldrijdend volkstheater. Wroeten en sleuren, dat is voor de Vlaming wielrennen.”

Het crossen in België is nog nooit zo populair geweest. In Hooglede, waar morgen de mannen en de vrouwen om de wereldtitel strijden, is men niet verbaasd als er 30.000 toeschouwers komen. Een miljoen kijkers zit er voor de buis. „Het is de Formule 1 voor de gewone Vlaming. Ook hier zie je de renners wel tien keer langskomen. En je kan het zweet ruiken en de renner bijna aanraken”, zegt hoogleraar Vanreusel enthousiast.

Terwijl veel Belgen zich van het wielrennen op de weg beginnen af te keren door de onophoudelijke stroom aan dopingverhalen, koestert het veldrijden zijn nostalgische imago. Hard labeur, kluiten modder, valpartijen. „Ik denk ook dat het een relatief cleane sport is”, zegt de Nederlander Hans van Kasteren, manager van de wielerploeg Fidea.

„Je kan een uur crossen natuurlijk ook niet vergelijken met een bijna onmenselijke Tour de France. Daar komt bij dat wedstrijden in het veldrijden telkens een handjevol kanshebbers hebben voor de overwinning: in het wegwielrennen is de kans op een zege veel kleiner en dan is, als je niet sterk in je schoenen staat, de verleiding groter om een verboden middel te nemen.”

De equipe van Van Kasteren (met titelkandidaten als Erwin Vervecken en Bart Wellens) is bij het WK de grote concurrent van de Raboploeg met favoriet Sven Nys en de Nederlandse outsiders Richard Groenendaal en Gerben de Knegt.

De Nederlandse arts Berend Nikkels gooide vorig jaar zomer een grote steen in die nostalgische vijver die veldrijden heet. Hij beschuldigde de Vlaamse veldrijders in deze krant van structureel dopegebruik. „Wat dacht je van FC Vlaanderen in het veldrijden? Ze reden met z’n allen op kop, het hele seizoen. Die zaten aan de aranesp [opvolger van epo]”, aldus Nikkels. Toen zijn woorden in de Belgische media belandden, had de arts direct een aanklacht van de Belgische wielerbond aan zijn broek.

„Als je zoiets zegt, moet je daarna niet je mond houden, maar met bewijzen komen”, zegt Van Kasteren. „Natuurlijk weet ik niet precies wat er allemaal gebeurt, maar ik kan alleen maar zeggen dat mij slechts twee positieve dopinggevallen bekend zijn.” Voormalig wereldkampioen Mario de Clercq en de onlangs teruggekeerde Ben Berden werden in 2005 voor langere tijd geschorst na epo-gebruik.

Veldrijden mag dan nog een puur en eenvoudig imago hebben, de financiële belangen zijn inmiddels groot. En vergelijkbaar met het wegwielrennen. „Je moet op de weg een heel goede coureur zijn om net zoveel te verdienen als een topper in het veldrijden”, legt Marc Van Landeghem uit.

Hij volgde het veldrijden lange tijd als journalist en is tegenwoordig actief als organisator. „Echte toppers als Vervecken en Nys krijgen vierduizend tot vijfduizend euro per wedstrijd. Wellens zal op drieduizend zitten en dan krijg je meer coureurs die daar net onder zitten, zoals Groenendaal en De Knegt. Bij de startgelden van veertig tot vijftig wedstrijden kan je ook nog een goed salaris van het team optellen: dan moet je toch wel minstens Nederlands kampioen zijn, wil je dat op de weg verdienen.”

Die gestegen verdiensten zijn volgens socioloog Vanreusel te zien op de parkeerplaatsen. „Vroeger stond een renner zich na de wedstrijd naast de wagen te wassen. Nu rijden ze voor in complete campers.”

Geen wonder, want sommige veldrijders hebben in België een sterrenstatus. „Dat is ook een gevolg van de grote aandacht op televisie”, zegt Vanreusel. „Ook via programma’s als Wellens en wee [docu-soap over Bart Wellens]. De vele Vlaamse overwinningen stimuleren de belangstelling ook. Als bij het schaatsen drie Nederlanders op het podium komen, wordt de sport gerelativeerd. In Vlaanderen denkt men: we hebben ook iets waar wij heel goed in zijn.”

Dat de sport zich vooral op Vlaanderen concentreert, heeft volgens Fidea-manager Van Kasteren een groot risico. „Hier is de belangstelling nu op haar top. De sport moet internationaler worden, anders heeft het veldrijden over een vijftal jaren een groot probleem. De basis is te smal.”

Zelfs in de tijd van Eric de Vlaeminck en Roland Liboton was de publieke belangstelling niet zo groot. Een beetje cross trekt zomaar 10.000 Vlamingen die deels in bussen van de verschillende fanclubs worden vervoerd. In Hooglede staat voor het eerst een dubbele rij dranghekken geplaatst om incidenten te voorkomen.

„Veel mensen zien veldrijden de laatste tijd als vervanging van voetbal tijdens de winterstop. Dat brengt eigen problemen met zich mee”, zegt Vanreusel. Eerder dit seizoen kreeg Nys een schop van een dronken supporter. „Dat incident met die zatlap is echt het enige geweest dit seizoen”, zegt Van Landeghem. „Het zal er echt niet van komen dat supporters van Nys en Vervecken op een parking afspreken om elkaar op het gezicht te slaan.”

    • Erik van der Walle