Weg met ons?

Een paar maanden geleden, na een discussie met Ayaan Hirsi Ali en Frits Bolkestein in New York, waar men zich ook gepijnigd afvroeg wat er in Nederland aan de hand is, kwam er een jonge Amerikaanse student uit het publiek op me af. Was ik het met hem eens dat je eindelijk weer trots mocht zijn op je eigen land? Dat het te lang min of meer verplicht was geweest alles wat op vaderlandsliefde leek, te verfoeien?

Mij was het nooit zo opgevallen dat het Amerikanen aan vaderlandsliefde ontbrak; bovendien leek deze vlotte jongen in niets op de piepjonge medewerker van het American Enterprise Institute naast wie ik later die avond aan tafel kwam te zitten en die me met een serieus gezicht meedeelde dat Thatcher, Reagan en Bolkestein zijn persoonlijke helden waren. Deze jongen zag er niet uit als iemand die zijn eigenwaarde moest opkrikken met een dosis nationalisme. Maar zijn vraag bleek serieus, hij had oprecht behoefte aan nationale trots.

Ik moest weer aan die student denken toen ik onlangs de Zembla-uitzending zag over de jonge aanhang van Geert Wilders. De jongens in dat programma waren vijftien en zestien, pubers dus, en ze droegen boosheid in zich mee, die zich allereerst tegen moslims richtte, hoewel ze in steden en dorpen woonden waar die nauwelijks te vinden waren. Een deel van hun woede was gemakkelijk te verklaren als de spanningen van het schoolplein, de claustrofobische heftigheid van jonge jongens onder elkaar. Maar ze voelden zich ook bedreigd. Stuk voor stuk wilden ze het leger in. Toen een van hen gevraagd werd waarom hij dat wilde, verklaarde die dat je tegenwoordig natuurlijk niet meer voor volk en vaderland vocht… De interviewster vroeg hem of hij dat het liefst zou willen. Dat zou natuurlijk het mooiste zijn, antwoordde de jongen.

Het gefnuikte verlangen dat in zijn stem doorklonk, beperkt zich niet tot een vmbo in Vught, maar heeft een grotere resonans; veel van het discours dat tegenwoordig doorgaat voor nieuwrechts valt er op terug te voeren. In een recent boek als La tyrannie de la pénitence, het ‘essay over het westerse masochisme’ van de Franse schrijver en essayist Pascal Bruckner, vind je alle elementen van de nieuwe onvrede terug: een westerse cultuur die aan zelfhaat lijdt, niet trots is op haar verworvenheden, die zichzelf keer op keer schuldig verklaart aan de zonden van anderen, die zich klakkeloos onderwerpt aan de agressieve eenduidigheid van extremisten, een samenleving die het verleerd heeft korte metten te maken met de krachten die haar ondermijnen. Alles hier is wankelmoedig, op fatale wijze genuanceerd; men gelooft niet in zijn cultuur, waarden en normen, natie.

Er wordt een nieuw zelfbewustzijn nagestreefd dat zichzelf niet relativeert, dat zich niet langer bezondigt aan die perverse weg-met-ons-mentaliteit. We moeten weer weten waar we voor staan. Symptoom van die behoefte is een intens verlangen naar de doodstraf, zoals veelvuldig geuit door Patrick van Schie, directeur van het wetenschappelijk bureau van de VVD, en onlangs ook weer door Leon de Winter. Wie het recht opeist om een ander met de dood te bestraffen, twijfelt immers niet langer aan zichzelf. Een soortgelijk verlangen naar de doodstraf zie je trouwens ook bij radicale moslims die eveneens ondermijnende twijfel en scepsis buiten de deur proberen te houden door zich te beroepen op rotsvaste principes waaraan niet getornd mag worden. Alleen wordt in die kringen de ultieme straf nogal losjes uitgedeeld: de jonge, cabaretier Ewout Jansen maakte wat Van Gogh light-mopjes over geitenneukers en Mohammed B. en toen die grappen aan een vertegenwoordiger/toevallige bezoeker van de Assoena moskee werden voorgelegd, kon die niet anders dan de doodstraf opleggen. Get a life, zou ik zeggen – maar het blijft jammer dat Nederlandse moslims zich niet geroepen voelen om zeloten in eigen kring te confronteren met de onhaalbaarheid van hun hang naar zuiverheid. Een organisatie van hippe Marokkanen riep onlangs op om niet boos en verontwaardigd op de vijandige praat van Geert Wilders te reageren, maar om hem te knuffelen en met humor te bestrijden – mooi, nu de islamitische Wildersen in eigen kring nog. Net zo pijnlijk is het dat zoveel Nederlandse Turken zich in bochten blijven wringen om de Armeense genocide niet bij de naam te hoeven noemen. Op zich doet het er niet toe of een slachting van bijna honderd jaar geleden nu wel of niet een massamoord was, maar wat er wel toe doet is dat die kwestie gekaapt is door Turkse nationalisten die in hun afkeer van tegenspraak niet voor moord terugschrikken.En zo komen we bij het zwakke punt van het nieuwrechtse gedachtengoed: als het om anderen gaat, wordt terecht de noodzaak van tegenspraak en discussie onderstreept, terwijl tegelijk wordt vastgesteld dat het Westen ten onder gaat aan de neiging voortdurend met zichzelf in discussie te treden. Iemand als Pascal Bruckner heeft dat zelf niet in de gaten: op de ene bladzijde van zijn boek verklaart hij het Westen superieur omdat het in staat is zichzelf steeds opnieuw te bekritiseren en zijn eigen misdaden onder ogen te zien, terwijl allerlei niet-westerse dictaturen daar niet toe in staat zijn, op de volgende vervolgt hij zijn klaagzang over de ondermijning van het Westen door precies dezelfde eigenschappen. In de aanloop van de invasie van Irak, waar Bruckner een fervent voorstander van was, werden dezelfde argumenten gebruikt: de scepsis van critici werkte alleen maar verlammend, ze werden weggezet als slap, laf, onmachtig hun eigen principes in daden om te zetten. Dat zou Bruckner te denken moeten geven, maar we hebben te maken met een gelovige: in zijn nieuwe boek blijft de scepsis voor Bruckner het grote westerse kwaad. Ikzelf zou zeggen dat het blinde geloof dat ten grondslag lag aan de invasie het Westen op den duur een stuk zwakker heeft gemaakt, maar de verbeten voorstanders van de oorlog geven inmiddels alweer de Verenigde Naties de schuld van het debacle, zij zijn immers zwak, laf, onmachtig om hun eigen principes – enzovoort.

De behoefte aan eigenheid is te lang onderschat, ook in Nederland, zie de onvrede bij de jonge Brabantse aanhangers van Geert Wilders. Het getuigt ook van arrogantie om die behoefte te ontkennen, zoals links nog steeds te vaak doet. Maar dat ontslaat je niet van de plicht dat verlangen van kanttekeningen te voorzien. Leve de ondermijnende scepsis, God zegene de zelfkritiek.