Waar wetenschap niet bij kan 2

Met veel plezier heb ik het interview van Marjan Slob met de Deense hersenwetenschapper en antropoloog Andreas Roepstorff gelezen (`Waar de wetenschap niet bijkan` W&O 20 januari). Ik kon een grimlach niet onderdrukken toen hij zei dat het `genenverhaal` uit de jaren negentig, volgens welk `genen ons de sleutel tot de ultieme kennis over onszelf (zouden) bieden`, is `geflopt`. De overspannen verwachtingen van hersenonderzoek is ongetwijfeld hetzelfde lot beschoren. Roepstorff geeft ook heel duidelijk aan waarom: hij benadrukt hoeveel `cultuur` er nodig is bij iedere poging van hersenwetenschappers om een `natuurlijke` theorie over mensen te ontwerpen en hij noemt de hele procedure bij experimenteel hersenonderzoek `een kwetsbare constructie`.

Iets van dien aard kwam in me op bij bestudering van het proefschrift van Popma, Neurobiological factors of antisocial behavior in delinquent male adolescents (`Misdaad in het bloed`, NRC Handelsblad, Wetenschapspagina, 20 oktober). Ik sta zeer sceptisch tegenover (de mogelijkheden van) biocriminologisch onderzoek. Tegelijkertijd ben ik onder de indruk van de technische uitvoering én de uitkomsten van het onderzoek van Popma. Deze toonde aan dat jonge crimineeltjes-in-de-dop op een aantal fysiologische variabelen verschillen van gewone jongens van dezelfde leeftijd (12-14 jaar). Toch blijf ik ervan overtuigd dat we niet veel wijzer worden van dit soort onderzoek, tenzij we vanuit zuiver wetenschappelijke optiek alle nieuwe kennis van belang vinden.

Ten eerste is nog allerminst bewezen dat die aangetoonde verschillen enige voorspellende waarde hebben: hoeveel (en vooral: welke) jongetjes met een lagere cortisolwaarde zullen zich tot echte criminelen ontwikkelen? Ten tweede bestaan de resultaten bij de gratie van een kunstmatige onderzoekssituatie (Roepstorffs `kwetsbare constructie`) waardoor ze praktisch onbruikbaar zullen blijken. Zodra hun het doel - dat in Popma`s onderzoek voor de deelnemers verborgen werd gehouden - van de speekselproeven duidelijk is geworden, zullen criminelen altijd een manier weten te vinden om hun cortisolwaarde, hartslag of huidweerstand te beïnvloeden.

Zonder wielrenners nu meteen als criminelen te willen bestempelen, hoeven we slechts naar de geschiedenis van de dopingcontroles te kijken om te weten hoeveel trucs er mogelijk zijn om iedereen om de tuin te leiden. Ten derde heeft Popma niet of nauwelijks een theorie die die naam waard is: je komt er niet eens achter of zo`n fysiologische variabele nu als oorzaak-op-zichzelf of slechts als biologische vertaling van een psychologisch kenmerk (bijvoorbeeld een laag angstniveau) wordt opgevat. En dan heb ik het nog niet (ten vierde) over ethische bezwaren die de preventieve toepassing van de onderzoeksresultaten in de weg staan.

Gelukkig zijn er ook nog hersenwetenschappers (en journalisten) die hun hersens blijven gebruiken.

    • Max Lauteslager
    • Psycholoog Amsterdam