‘Sixties!’ draait om het blije cola-gevoel

Zonder titel, Gerard Fieret, ca. 1970 Fieret, Gerard

Tentoonstelling: Sixties! T/m 29 april in het Haags Gemeentemuseum, Stadhouderslaan 41, Den Haag. Di t/m zo 11-17u. Inl.: 070 – 3381111, www.haagsgemeentemuseum.nl

Hippies en provo’s. Witte fietsen in Amsterdam. Koelkasten en welvaart. Easy Rider. Elvis Presley. Andy Warhols colaflesjes. Met deze en nog veel meer beelden begint in Den Haag de tentoonstelling Sixties!: één grote, nostalgische draaikolk van muziek, polygoonjournaals, en kunst. Na een muziekclipachtige introductiefilm beland je in een tentoonstelling waar Pop, Op en Minimal Art door elkaar heen hangen. Tussen de conceptuele kunst zingt een oudere bezoekster mee met de muziek: „I can’t get nooo satisfactiooon!” – en in de Pop Art-zaal staat een vrouw ontzet naar een van de vele mini-jurken te kijken: „Ik had nog een pet van die stof.”

Ja, dat is cru. Die doodgewone pet had een museumstuk kunnen zijn. Zelfs de Amerikaanse Pop Art-kunstenaars, die vaak een achtergrond in de reclame hadden, durfden niet te dromen dat een museum, net als zij, het ‘banale’ op sokkels zou plaatsen. Zoals Daan van Golden een LP-hoes achter glas hing, zo laat het museum de Stones door alle zalen schallen. Zoals Jim Dine zijn kostuums tot kunst verhief, zo toonde museumdirecteur Wim van Krimpen laatst op tv een broek van Jimi Hendrix, met handschoenen aan: „Anders krijg ik ruzie met mijn modeconservator.” De dag erna waren verbijsterde toeschouwers er getuige van hoe de directeur en een museummedewerker de broek terug spijkerden aan de muur – zonder handschoenen. Want ach, het is maar een broek. De handschoenen en museummuren dienen enkel om de broek sacraler te doen lijken dan hij is.

Deze museale mediashow is een zege voor de Pop Art, maar ongepast voor andere kunst. Er hangen tekeningen van A.R. Penck – die in Oost-Duitsland heimelijk een eigen beeldtaal tekende. En zeefdrukken van West-Duitser Wolf Vostell tonen Duits oorlogsmaterieel, ook niet erg luchtig. Vostell las marxistische geschriften over de ontheemding van de mens in de moderne maatschappij, en dat geldt voor meer exposanten.

Zelfs Constant, Armando en Asger Jorn zijn vertegenwoordigd, die nu ook te zien zijn in een tentoonstelling in het Utrechtse Centraal Museum. In Utrecht hangen ze vanwege hun kritische houding tégen de massaconsumptiemaatschappij, in Den Haag hangen ze in een zalenlange lofzang op diezelfde maatschappij. Dat laatste wordt in Den Haag niet letterlijk gezegd, maar het blije cola-gevoel overheerst zo sterk dat het alle kritische noten wegvaagt. De veelheid in kunst is niet om nuances aan te geven, maar om het gevoel van de dynamische sixties te versterken.

Kunsthistorisch wringt de boel dus. Om toch te overtuigen, zet de tentoonstelling groots in op een verhaal met een kop en staart. Het begint met sfeervolle mediabeelden, dan volgt een spektakel aan kunst, en het eindigt met een grijs schilderijtje van Gerhard Richter uit 1971, als teken dat kunstenaars het turbulente decennium afsloten door de stilte op te zoeken.

Als epiloog volgt een muziekloos, wit zaaltje met minimalisme van Donald Judd en Dan Flavin om die overgang naar de stille jaren zeventig te illustreren. Dat klopt echt niet. Minimalistische kunst hangt ook in de drukke eerste zaal, op een fotoposter, en het werk van Judd is uit 1964. De kunst is hier dienstbaar gemaakt aan een verhaal. En dat verhaal is dubieus. De jaren zestig waren niet eenduidig, het was kunsthistorisch niet één tijdperk, 1970 was geen breekpunt, en er was geen artistieke rust op komst. Dit is geen kunst óver de beleveniscultuur, maar kunst áls beleveniscultuur.

Interview met Wim van Krimpen over ‘de Sixties’ in Opinie&Debat, p. 19

    • Sandra Smets