Russen, Chinezen en ik

Een Russisch gezelschap van nucleaire wetenschappers doet China aan. Zomin als Chinezen doen Russen hun best aardig gevonden te worden.

De haven van Lianyungang Foto Carolijn Visser Visser, Carolijn

‘Are you a nucleair scientist too?”, vroeg een vrouw met blauwe ogen in de lift. „Nee”, moest ik tot mijn spijt bekennen, ik was geheel toevallig in dit hotel beland. Pas toen ik al was ingecheckt, kwam ik erachter dat ik in het Nucleair Expert Reception Centre logeerde.

In de onbekende Chinese havenstad Lianyungang had ik niet veel andere buitenlanders verwacht, maar in dit hotel wemelde het van de Russen.

Allemaal werkten ze in de atoomcentrale.

Uit korte gesprekjes met mijn medegasten leerde ik dat fase één en twee al waren voltooid. Drie, vier en vijf, wat die ook mochten behelzen, stonden nog op stapel. Ze werden opgehouden wegens ‘politics’ aldus een gespierde Rus in een trainingspak die ging joggen.

’s Avonds, en later in het weekend, zag ik de Russen op de markt en in de winkelstraat van de stad. Merkwaardig was dat ze absoluut niet opvielen tussen de Chinezen. Ze bewogen zich op een anonieme manier voort, en als ze iets aan wilden schaffen, onderhandelden ze emotieloos met de verkopers in de paar Chinese woorden die ze kenden. Westerlingen willen aardig gevonden worden, een band smeden met Chinese handelaars. Russen hebben daar geen last van. Op hun gezichten is niet te lezen of ze iets werkelijk begeren.

Wat dat betreft zijn het Aziaten.

Op de dag dat ik vertrok, bleek ik niet de enige gast uit het hotel te zijn die de trein naar Peking zou nemen. Een bus vol nucleaire experts reed naar het station en ik mocht mee. Ik kwam naast een man te zitten van een jaar of vijfenzestig die Spaans sprak. Hij had jaren op Cuba gewoond. „En ook in Pakistan, en in Iran”, vervolgde hij vermoeid. „Dat zijn niet de makkelijkste landen om te verblijven”, reageerde ik. „Ach wat”, bromde hij. „In Iran kon je een week lang een gouden horloge in de kleedkamer van de centrale laten liggen en dan nog werd het niet gestolen.”

Hij maakte de gebaren van iemand die een strop rond de nek krijgt en wordt opgeknoopt. „Zo lossen ze dat daar op.”

In zijn geboortestad Sint Petersburg konden ze daar wat van leren. „Vroeger ging ik met mijn vrienden de hele nacht op stap. We dansten tot in de ochtend. Nu is dat levensgevaarlijk, het gespuis maakt je af.” We stopten voor een station met een witte klokkentoren. Daarachter zwaaiden de kranen van de haven.

Op een ijskoud perron vervolgden we ons gesprek. De Rus wilde weten wat ik deed voor de kost. „Schrijven”, zei ik. „Ah!”, reageerde hij misnoegd.

„Tegenwoordig wil iedereen schrijver zijn, of kunstenaar. Niemand wil ingenieur worden, de armen uit zijn mouwen steken en werken!” Zijn kleindochter bijvoorbeeld, die studeerde communicatiewetenschappen. Hij begreep nog steeds niet wat dat was. Toch verzachtte de uitdrukking op zijn gezicht toen hij dat zei. Dat meisje was zijn oogappeltje. Voor haar was hij naar Lianyungang gekomen. „Ik zou allang met pensioen moeten zijn, maar ze heeft dan dit nodig, dan weer dat.” Nu deed ze haar postdoctoraal in Parijs. „Wat denk je dat dat kost?” Moeizaam hees hij zich in de trein die was voorgereden.

Ik deelde een compartiment met drie Chinese heren in pak. Een van hen wilde weten wat ik in Lianyungang had gedaan. Ik vertelde dat ik mensen op het gemeentehuis had ontmoet en gaf hem mijn visitekaartje. Dat bestudeerde hij aandachtig maar hij gaf er niet een van hemzelf. „Wie heb je op het gemeentehuis ontmoet?”, vroeg hij. „Kun je hun kaartjes laten zien?” Het was me gaan tegenstaan dat Chinezen van buitenlanders verwachten een open boek te zijn, terwijl ze zelf zo min mogelijk informatie prijsgeven. „Die zitten diep onderin mijn tas”, hield ik af en haalde een fles whisky tevoorschijn. Daarmee toog ik naar het compartiment van de Spaans sprekende Rus. Hij zat tegenover een Russische vrouw van zijn leeftijd. „Een collega”, zei hij. „We kennen elkaar uit de tijd dat we allebei in Tsjernobyl werkten.” „Oh”, zei ik geschokt. Blijkbaar hadden zij op tijd een andere baan gevonden.

„Willen jullie een glaasje?”, stelde ik voor. „Zo!”, reageerde de Rus ontstemd toen hij de fles zag. „Jij denkt zeker: als ik ze drank geef, gaan ze wel praten.” Niet van harte hield hij een theebeker bij. Zonder zich aan mij te storen vervolgden de twee hun conversatie in het Russisch.

Zo nu en dan wierpen ze een blik op mij om zich ervan te vergewissen of ik het echt niet verstond, kreeg ik de indruk. Ze verdachten mij van spionage!

Misschien geen wonder, sprak ik mezelf toe. Ze waren allebei hun carrière begonnen in de Sovjettijd. Als internationaal werkende nucleaire specialist waren ze natuurlijk verplicht lid geweest van de partij. Wie weet hadden ze vaak onder verdenking gestaan, waren ze ondervraagd over hun ervaringen, hun contacten. Ik wist niet hoe ik mijn zaak kon bepleiten; de kilte van de oude koude oorlog was over ons neergedaald. Nadat ik hun nog een keer had bijgeschonken keerde ik terug naar mijn eigen compartiment.

Daar ontweek ik de blik van mijn Chinese reisgenoot. Van mij zou hij vandaag niets wijzer worden. Ik stapte in mijn bed. De trein wiegde mij door de duistere nacht, maar ik kon de slaap niet vatten. Ik had het angstige gevoel gevangen te zitten tussen twee grote, machtige culturen.

    • Carolijn Visser