‘Op vrijdag altijd eerst naar Franse les’

Egbert Myjer (59) is rechter bij het Europese Hof voor de Rechten van de Mens in Straatsburg. Dat hof deed een veelbesproken kritische uitspraak tegen Nederland over Somalische asielzoekers. Myjer is getrouwd met Marja (59), oud-docente sociale pedagogiek. Zij hebben drie kinderen, Carolijne (31), Jochem (29) en Wieke (27), en één kleinkind. „We hijsen ons snel in onze donkerblauwe toga’s met bontje en komen in een lange rij op.”

Europees rechter Egbert Myjer: „Om iedere dag door l’Orangerie in een kwartier naar je werk te kunnen lopen is, naast de droombaan die ik al heb, een extra pluspunt.” Foto Council of Europe Council of Europe
Egbert Myjer

Vrijdag 19 januari 2007

Het is een belangrijke dag voor het Hof: de opening van het gerechtelijk jaar. Wat het extra bijzonder maakt is dat ook afscheid wordt genomen van de collega die sinds 1 november 1998 president was van het Hof, de Zwitser Luzius Wildhaber. Hij werd gisteren 70 jaar. Zelfs voor mensenrechters geldt die leeftijd als het einde van de ambtstermijn. Eind november hebben wij zijn opvolger gekozen: de Franse rechter Jean-Paul Costa.

Vandaag komen vertegenwoordigers van de hoogste rechtscolleges uit de 46 landen van de Raad van Europa en een aantal deskundigen op het gebied van de rechten van de mens naar Straatsburg voor een ‘dialogue between judges’ en voor de daarop volgende opening van het gerechtelijk jaar. De Leidse hoogleraar Rick Lawson (Kirchheinerleerstoel) logeert sinds gisteren bij ons. Hij kon nog net voor de storm uit wegvliegen uit Amsterdam.

Op vrijdag staat voor mij altijd eerst een uur Franse les op het programma. Het Hof spreekt en schrijft slechts in twee talen: Engels en Frans. Om je werk als rechter naar behoren te kunnen uitvoeren moet je ten minste een van die talen vloeiend kunnen spreken; je zult beide talen begrijpend moeten kunnen lezen. Iedere rechter heeft de mogelijkheid om twee keer per week les te krijgen in de taal die hij of zij het minst beheerst. Daarna begin ik op mijn kamer aan het bestuderen van de stukken voor de zitting van volgende week donderdag. Er staan twintig zaken op de lijst, zeventien tegen Turkije, drie tegen Roemenië. In twee van de zaken ben ik zelf de rechter-rapporteur.

Tegen 12 uur ga ik naar de zittingzaal voor de beëdiging van de nieuwe Zwitserse rechter, Giorgio Malinverni. Bij een dergelijke plechtigheid proberen altijd alle collega’s aanwezig te zijn. Veel tijd voor napraten hebben we niet. Beneden wacht het voor de afwisseling feestelijk ingerichte, zo niet ineens bijna gezellige bedrijfsrestaurant. Het stikt al van de hoogedelachtbare en hooggeleerde gasten. Vanuit Nederland zijn behalve Jan Watse en Rick mijn voorgangers Pieter van Dijk (Raad van State) en Wilhelmina Thomassen (Hoge Raad) aanwezig. Het zal niet verbazen dat na alle ophef in de Nederlandse media (tot en met Buitenhof) over ons arrest van 11 januari in de zaak van de Somalische asielzoeker, ook vandaag niet het laatste woord wordt gezegd.

Na afloop begeven de deelnemers zich naar een te kleine conferentiezaal, waar eerst aan Luzius Wildhaber als afscheidscadeau een Liber Amicorum wordt aangeboden. Het is een fraai dik boek geworden met bijdragen van rechters, oud-rechters en andere collega’s. Mijn stuk (It is never too late for the State) gaat over minnelijke schikkingen en door een lidstaat af te leggen eenzijdige schuldverklaringen. Wildhaber is zichtbaar aangedaan.

De opening van het gerechtelijk jaar volgt in de zittingzaal van het Hof. We hijsen ons snel in onze donkerblauwe Europese toga’s met bontje en komen in een lange rij op. De nieuwe en oude president spreken: de een met veel terugblik, bezorgde woorden over de recente Russische blokkade van protocol 14 (aanvullingen op het Europees Verdrag inzake mensenrechten die het ons mogelijk maken efficiënter te gaan werken) en succeswensen aan zijn opvolger; de ander met veel dank aan zijn voorganger, veel toekomst maar ook veel aandacht voor de onbegrijpelijke Russische opstelling (hoe kunnen we met een huidige instroom van 50.000 zaken en steeds groeiende achterstanden nog werken als we door die lidstaat als enige van de 46 lidstaten niet in staat worden gesteld de nodige efficiencymaatregelen te nemen?).

Zaterdag

Mijn bakkertje heeft de lekkerste croissants van Straatsburg en dat zullen de gasten weten. Na het ontbijt ga ik met de ‘meisjes’ naar de binnenstad. Alleen al de kathedraal is van superbe grootsheid; de wijk Petit France is een bewegende Anton Pieck-kaart. Daarna rijden we een stuk van de Route du Vin. In Orschwiller koop ik bij domaine Hubert Laugner wat dozen riesling, gewürztraminer en pinot noir. Wijnkundige vrienden hebben ons indertijd op dit net naast de wijnroute gelegen adresje gewezen. Ze hadden gelijk: prachtige kwaliteit voor dezelfde prijs als mindere wijn in een supermarkt. Op verzoek van Wieke en haar middelbare schoolvriendin Maartje rijden we daarna naar het nabijgelegen vroegere concentratiekamp Struthof-Natzweiler. Het is iedere keer weer intens indrukwekkend. Als je dat ziet, word je er even keihard aan herinnerd waarom internationale bescherming van mensenrechten noodzaak is.

Tegen de avond komen volgens afspraak nog wat Nederlandse vrienden langs. Straatsburg is een ideale tussenstop vanuit Zwitserland en Italië. We gaan met zijn allen eten in ons stamrestaurantje, de Sandkischt in Robertsau. Het is stampvol en zeer genoeglijk.

Zondag

Franse bakkers zijn ook op zondag open. Nico Mol, de Nederlandse chef-jurist bij de griffie, komt meeontbijten. Daarna maken we een zonnige wandeling door het vlak bij ons appartement gelegen park l’Orangerie. De warme winter maakt dat de talloze ooievaars de kluts kwijt lijken. Overal zie je paartjes op de nesten. Maartje en Wieke gaan dan weer op pad naar Nederland. Later die middag brengen we Rick naar het vliegveld.

Terug in Straatsburg bellen we de moeders en Carolijne en Coen. Jochem hebben we gisterenavond nog even gesproken. Hij is nu met vakantie in Nieuw Zeeland.

Maandag

Om iedere dag door l’Orangerie in een kwartier naar je werk te kunnen lopen is, naast de droombaan die ik al heb (Europese supervisie, fundamentele zaken, collega’s van topniveau, prachtvolle omgeving) een extra pluspunt. De ochtend besteed ik aan allerlei klussen en het doornemen van een aantal dossiers waarin ik rechter-rapporteur ben.

Ik lunch met Erik Jurgens, door sommige Straatsburgers aangeduid met de geuzennaam: de constitutionele anarchist. Hij is hier voor de vergadering van de Parlementaire Vergadering van de Raad van Europa (niet te verwarren met het ook in Straatsburg gevestigde Europees Parlement van de EU). We hebben een afspraak om elkaar bij elk bezoek even bij te praten. De Vergadering heeft het punt van de dreigende toekomst van het Hof (gelet op de stemming in de Russische Doema eind december 2006) alsnog op de agenda gezet. Erik is, zoals velen hier, erg bezorgd over die ontwikkeling. En passant komt het arrest over de Somaliër aan de orde en met name de heftige reactie in Buitenhof van de voorzitter van de Raad voor de Rechtspraak, Bert van Delden. Mijn commentaar: lees het arrest met een onbevangen blik. De overweging dat in dit specifieke geval, ondanks het feit dat de Raad van State niet was benaderd, geen niet-ontvankelijkheid hoefde te volgen, was eenvoudigweg in lijn met lang bestaande rechtspraak. Het Hof heeft nog eens benadrukt dat, als lijf of leven op het spel staan (de zogenaamde absolute rechten), het ex nunc en volledig moet toetsen of dat daadwerkelijk het geval kan zijn. Daarbij heeft het Hof, vanuit zijn Europese superviserende taak, niet alleen rekening te houden met gegevens die door de Nederlandse overheid zijn gebruikt. Als er vanuit andere landen, de UNHCR of betrouwbare non-gouvernementele organisaties objectief materiaal voorhanden is dat gevaren groter inschat, moet dat worden meegewogen.

Op basis van een dergelijke afweging heeft het Hof in zijn arrest unaniem geconcludeerd dat het Nederlandse beleid met betrekking tot terugzending naar relatief veilige gebieden in Somalië uitsluitend voor wat betreft leden van zogenaamde minderheidsclans die niet uit zo’n gebied afkomstig waren, aanvulling behoefde. Niets nieuwe koersen of zo.

Na afloop van de lunch heb ik Franse les. De rest van de middag is weer voor de donderdagzitting.

Dinsdag

Voor het eerst dit jaar is het buiten ijskoud. Er zit sneeuw in de lucht. De dinsdag begint met het wekelijkse overleg met de Nederlandse juristen bij de griffie. We wisselen informatie uit en bespreken een aantal lopende zaken. Vaak gebeurt het dat ik in zaken die ik die week in de sectie of in de Grote Kamer moet bespreken, ook hun oordeel vraag. Drie weten meer dan een. En zij weten heel veel.

Om 11.00 uur geef ik een inleiding over de werkzaamheden van het Hof aan buitenlandse studenten die aan de VU internationaal recht studeren. Ook al kost dat tijd die ik elders deze week moet inhalen, ik vind het van groot belang om zelf van gedachten te wisselen met studenten die helemaal naar Straatsburg zijn gekomen. Ze zijn bijzonder geïnteresseerd en stellen pittige en adequate vragen. Tot vroeg in de avond ben ik bezig verder te lezen in de stukken van donderdag. Tegen acht uur ga ik naar de residentie van ambassadeur Cobus van der Velden voor een diner met parlementariërs uit Nederland en Duitsland. Ook mijn Duitse collega Renate Jaeger is daar aanwezig. Veel aandacht voor Rusland.

Woensdag

L’Orangerie ziet er uit als een ouderwetse kerstkaart. Er is vannacht zeker 15 centimeter sneeuw gevallen.

Ik begin aan het bestuderen van een Grote Kamerzaak waarin ik rechter-rapporteur ben. Ik moet vóór de hoorzitting een analyse schrijven over de rechtsvragen en eventuele antwoorden daarop en moet daarna bij de beraadslagingen een voorzet geven aan de collega’s. Omdat voor de buitenwereld altijd geheim hoort te blijven wie in welke zaak de rechter-rapporteur was, moet ik het hierbij laten.

Om 11.00 uur houd ik een inleiding voor geschiedenisstudenten van de Universiteit van Amsterdam en om 12.00 uur voor juridische post-docs uit het Duitse Speyer.

’s Avonds gaan Marja en ik naar de residentie voor de nieuwjaarsbijeenkomst van de Nederlandse vereniging.

Donderdag 25 januari

Glijdend en glibberend loop ik naar mijn werk. Die ene fanatieke jogger die ik tegenkom, zal het vast nog bezuren. De ochtend besteed ik aan het lezen van een 86 pagina’s tellende bundel met kennelijk niet-ontvankelijke Comité-zaken. Van de zaken die bij ons binnenkomen, kan 90 tot 95 procent via een dergelijke eenvoudige procedure door drie rechters worden afgedaan.

De middag: de wekelijkse beraadslagingen in de zaken waar het echt om gaat. Die beslissen we met zeven rechters. Het geheim van de raadkamer verbiedt me ook hier nader verslag te doen. Laat ik volstaan met te zeggen dat de ‘repetitieve’ zaken soms bijna een hamerstuk zijn en dat over de echt belangrijke zaken vaak zeer intensief wordt gediscussieerd. Als dan – zoals in de Somalische zaak – ook nog een unanieme beslissing volgt, heeft dat toch enige betekenis. Maar dat was in Nederland al her en der opgemerkt.

    • Egbert Myjer