Meester Willem is geen nostalgie

Redacteur NRC Handelsblad

Meester Willem zit thuis. Na ruim dertig jaar voor de klas. Hij was de klas toen de Wildeboerschool in Kortenhoef nog aan twee lokalen genoeg had om alle kinderen aap, noot, mies te leren. De scha-pen op de wei-de keken door het raam. Zijn schooltje moest dicht en hij ging werken op de openbare basisschool Curtevenne. Nu is hij geschorst en voor ontslag voorgedragen door de stichting Primair, die de organisatie van twaalf openbare scholen in de Gooi- en Vechtstreek heeft overgenomen van de gemeenten.

Wat heeft de meester misdaan? Voorzover na te gaan weinig. De kinderen missen hem. Ook oud-leerlingen herinneren zich hun Meester Willem die voor iedereen klaarstond. Kijk maar naar hun spontane opwellingen op YouTube, het online videoprikbord (youtube.com, zoek ‘Willem Degekamp’). De verantwoordelijke wethouder zegt dat zij er niet over gaat: het onderwijs is gedelegeerd aan de stichting. En de stichting zwijgt over dit ‘arbeidsconflict’, maar verzekert dat de leerlingen geen moment in gevaar zijn geweest. Een insinuerende geruststelling.

Maandag stonden 250 kinderen met steunbetuigingen voor het huis van de onderwijzer. De onderwijsbonzen verwijten Meester Willem dat hij te laat is met zijn papierwerk, formulieren met behandelplannen voor moeilijker lerende kinderen. Een jaar geleden kreeg hij een waarschuwing, nu was opeens de maat vol. Bij de bestuurders. Degekamp werd de toegang tot de school ontzegd.

Op de Wijdemeerse webkrant wensen ouders en collega’s hem sterkte in zijn strijd tegen ‘de papieren tijger’, het administratiegedrocht dat hem uit de klas houdt. Zij zouden met evenveel recht heel Nederland sterkte kunnen wensen.

Het Curtevenne-conflict is tekenend voor wat het Nederlandse onderwijs heeft aangetast. Een vorm van institutionele betonrot, wat K.L. Poll ‘het verlangen naar almacht’ noemde, en Ad Verbrugge, oprichter van Beter Onderwijs Nederland een ‘bureaucratische schil om de leraar’, ‘een duivels systeem dat zichzelf door gemeenschappelijke belangen in stand houdt’.

Scholen zijn door opeenvolgende onderwijsministers gedwongen groot en onpersoonlijk te worden, wat de goede bedoelers ook beweren. De daarmee opgekomen kaste van bestuurders en orthosociologen mengde een reeks onderwijsmodes in het proces. Middenschool, Basisvorming, Studiehuis, het Nieuwe Leren – toevallig vaak ook bezuinigingen. Waarna de politiek verantwoordelijken zich uit de voeten maakten en ‘het onderwijs overlieten aan het veld’.

De huidige toestand wordt gekenmerkt door een administratieve fixatie op meten en berekenen, terwijl voor het afleggen van verantwoording naar een bestuurlijk niemandsland wordt verwezen. Niet voor niets is een aanzwellend ongenoegen hoorbaar in het Nederlandse onderwijs. Iedereen omarmt canons voor vaderlandse geschiedenis, literatuur, exacte vakken. De Kamer wil er een museum voor. Als we nog even wachten kan het hele land er in.

De gevolgen van veertig jaar bedilzucht in het onderwijs – van laag tot hoog – zijn monumentaal. Het nationaal geheugen wordt weggespoeld. Grammatica is voor stumpers. Kennis is jaren verdacht gemaakt. Wie uitsluitend docentarm en toetsvrij onderwijs heeft genoten, kent alleen zijn eigen vragen. De tragiek is dat juist de kinderen die van thuis niet veel meekrijgen, vaak ook nog van allochtone herkomst, blijven zitten met het allegaartje dat de jeugdcultuur hun biedt. Alleen de allerbegaafdsten onder hen zullen zich ooit in concrete taal kunnen uitdrukken. Juist die kinderen zouden van knappe en zelfbewuste leerkrachten liefde voor het woord kunnen oppikken, zich meester maken van in de loop van eeuwen verzamelde kennis en wijsheid.

Wat je meeneemt van school is de inspiratie om vragen te stellen plus een begin van inzicht waar antwoorden te vinden zijn. De bevlogen én geleerde leraren wiskunde, geschiedenis en Frans die mij de schoonheid van het getal, van eeuwen strijd om de macht van ideeën en van de Franse cultuur bijbrachten, hebben mij voor altijd gevoed met het sterke vermoeden dat er meer valt te weten. Daar kom je googlend in het Studiehuis niet snel achter.

Deze kennisramp heeft zich voltrokken door de samenloop van een aantal bewegingen. Onderwijsdenkers wilden in de jaren ’60 en ’70 afrekenen met alles wat dwingend en elitair was, en wat geen verantwoording aflegde. Ouders en leraren dus. Tegelijk moesten gelijkere kansen voor minder bevoorrechte milieus worden afgedwongen. Wie kon dat beter dan de overheid? De ene na de andere bewindspersoon ging aan de slag. Minder autoritaire onderwijsmethoden en bezuinigingen lagen wonderwel in elkaars verlengde. De output moest omhoog, dus gingen de normen omlaag. Iedereen doctorandus, heb ik dat wel eens genoemd. Ook al weer achterhaald. Goede bedoelingen zijn niet genoeg.

Een ander element dat de ravage helpt verklaren, is beschreven in het woensdag uitgekomen rapport Lof der Eenvoud. Dit even beknopte als heldere advies van de onafhankelijke Raad van Economische Adviseurs (REA) van de Tweede Kamer noemt onderwijs het schoolvoorbeeld van de in het openbaar bestuur dominant geworden managementcultuur. Die doet alsof de overheid een bedrijf is. In die waan zijn professionele ambtenaren, in dit geval docenten, beroofd van hun zelfstandigheid door een bestuurslaag die in detail voorschrijft wat en hoe gedoceerd moet worden.

Geen wonder dat de motivatie van leerkrachten zwaar is ondermijnd, zeker als je alleen promotie kan maken door de klas te verruilen voor het bestuurslokaal. Meetbare processen lijken het enige wat de bestuurskaste interesseert, de inhoud is voor wie nog met de ‘cliënten’ werkt. Het evenwicht tussen efficiencystreven en de kern van het werk is zoek. Ook in gezondheidszorg, rechtspraak, openbaar vervoer en andere diensten waar de gemeenschap voor moet en wil zorgen. De REA, die bestaat uit drukbezette vrijwilligers, topeconomen aan Nederlandse en buitenlandse universiteiten, pleit er voor over de hele linie te erkennen dat de overheid niet in een markt functioneert.

We hebben nieuwe criteria nodig voor een goede overheid. Ook in het onderwijs. Hopelijk maken de heren Balkenende, Bos en Rouvoet de brede betekenis van deze kritiek uitgangspunt van hun nieuwe kabinet. Een zak extra geld voor docenten is niet genoeg. Het gevaar van dertig, veertig jaar onderwijsverprutsing is dat we een onnozel volk worden. Een volk dat Europa niet begrijpt, dat zijn plaats in de wereld niet begrijpt. Te veel mensen willen te weinig weten. Meester Willem is geen nostalgie. Zijn inspiratie is onze toekomst.

opklaringen@nrc.nl