‘In Iran vieren we dood-aan-Israël-dag’

Mohammed Reza: „Ik geef toe: voor de poort van Auschwitz had ik nog mijn twijfels” Foto Evelyne Jacq Europa, Nederland, Barneveld, 03-10-2006 Mohammad Reza, rahimiyan filmer, documentaire maker 'Holocaust...mythe' Foto: Evelyne Jacq Jacq, Evelyne

‘Ik zeg het je eerlijk: ik heb gehuild. Ik heb gehuild toen ik de foto’s zag van die uitgeteerde mensen en van die stapels dode lichamen. Het greep me erg aan om de bergen schoenen, brillen, koffers te zien. En de krassen op de wanden van de gaskamer zal ik nooit vergeten. Het bezoek dat ik afgelopen zomer aan Auschwitz heb gebracht, heeft op mij een onuitwisbare indruk gemaakt.

Ik ben in Iran geboren en opgegroeid met het idee dat joden slechte mensen zijn. Ik was acht jaar oud toen Khomeini aan de macht kwam. Vanaf dat moment keerde Iran zich fel tegen Israël. Khomeini voerde zijn leven lang een haatcampagne tegen Israël en niemand durfde daar vraagtekens bij te zetten. De Iraanse media praatten hem netjes na: volgens hen waren de joden altijd het probleem.

Jullie vieren Sinterklaas, maar in Iran vieren we de dood-aan-Israël-dag. Op de laatste vrijdag van de ramadan moeten we met z’n allen de straat op en hard ‘dood aan Israël’ roepen. Dat heb ik als student ook gedaan, want als je niet ging, kreeg je geheid problemen met de geheime dienst. Niet dat ik erg enthousiast was om daaraan mee te doen. Ik riep een paar minuten ‘dood aan Israël’ en nam daarna snel de benen naar de bioscoop. En ik zal je vertellen, het was op die dag altijd enorm druk in de bioscoop.

Ahmadinejad, de tegenwoordige president van Iran, heeft het antisemitisme een nieuwe impuls gegeven. Hij heeft brutaalweg beweerd dat de Holocaust een mythe is. Toen ik dat hoorde, dacht ik: nu wil ik wel eens weten hoe het echt zit. Op internet trof ik een Iraniër die zei dat hij in Auschwitz was geweest en dat hij alleen maar een paar schoenen had gezien. Ik vroeg me af: zou dat echt zo zijn?

Ik weet wat het is om vervolgd te worden. In Iran studeerde ik drama aan de universiteit en was ik actief als acteur en cabaretier. Dat laatste heeft me in de problemen gebracht. Op de universiteit waar ik studeerde, heerste een streng islamitisch regime. Toen ik twee vrouwen zocht om in een theaterstuk te spelen dat ik wilde regisseren, zei de directeur dat dat verboden was en dat ik de vrouwenrollen maar moest laten spelen door mooie jongens. Ik heb daar toen een kritisch artikel over geschreven in het universiteitsblad, waarover de geheime dienst mij is komen ondervragen. Toen ik ook nog eens een persiflage maakte op een televisieprogramma over de oorlog tussen Iran en Irak, kreeg ik een verbod om ooit nog op deze universiteit op te treden.

Vervolgens nodigden studenten aan een andere universiteit mij uit om een voorstelling te geven op een feest. Met mijn theatergroep voerde ik een korte satire op waarin we de Iraanse rechtspraak belachelijk maakten. Voor mijn gevoel was het allemaal heel onschuldig, maar daar had ik me lelijk in vergist. Direct na de voorstelling belde een bevriende medewerker van de universiteit mij op. In de zaal hadden agenten van de geheime dienst gezeten. Hij zei: ‘Ze zijn van plan jullie op te pakken. Je moet onmiddellijk onderduiken.’ Ik vertelde de jongens uit mijn theatergroep wat er aan de hand was, maar het enige meisje was meteen na de voorstelling naar huis gegaan en ik kon haar niet meer bereiken. Dat ik haar niet kon waarschuwen, heeft vreselijke gevolgen gehad.

Ik ben meteen ondergedoken bij een vriend van me in een andere stad. De volgende dag zocht ik contact met mijn zus. Ze riep: ‘Wat heb je gedaan?’ Ze vertelde me dat de geheime politie mijn huis en dat van mijn vader helemaal ondersteboven had gekeerd. Ze hadden twee familieleden van me gearresteerd. Toen begreep ik dat ik niet in Iran kon blijven. Ik ben naar Turkije gevlucht, waar een mensensmokkelaar heeft geregeld dat ik met een vrachtwagen naar Europa werd gebracht. Het was een snikhete zomer en ik zat dagenlang in de achterbak van die vrachtwagen met alleen een bak water, een stuk brood, een Turkse worst, een emmer voor mijn behoeftes en twee stinkende dekens. Op de twaalfde dag zette de chauffeur mij uit de wagen.

Daar stond ik dan, ik had geen idee waar ik was. Ik ben maar gaan lopen. Op een gegeven moment zag ik een bord: Arnhem, 2 km. Toen wist ik dat ik in Nederland was, want ik was in die tijd helemaal gek van Europees voetbal en een groot bewonderaar van Ronald Koeman. Die was toen trainer van Vitesse.

In Nederland hoorde ik dat mijn familieleden een week hadden vastgezeten. Ook mijn vrouw bleek opgepakt te zijn geweest. Ze wilde niet meer met mij spreken. Mijn schoonmoeder vertelde mij dat ze me nooit weer wilde zien. Mijn vrouw was getraumatiseerd door wat er gebeurd was en wilde niet vertellen wat er was voorgevallen. Ik weet het nog steeds niet. Ik weet wel dat ze haar studie niet heeft mogen afmaken. Ik vond het heel erg dat ik door mijn onbezonnen gedrag zo’n lieve vrouw in het ongeluk had gestort.

Ik hoorde ook dat het meisje uit onze theatergroep was gearresteerd. Niemand heeft me kunnen vertellen wat er van haar is geworden, maar twee jaar later zag ik haar naam op een internetsite. Ze bleek gemarteld en vermoord te zijn. Ik voel me daar nog steeds heel schuldig over. Het bittere was dat haar dood voor de IND het doorslaggevende bewijs vormde dat ik recht had op asiel.

Ik heb inmiddels een nieuw leven opgebouwd. In december 2004 ben ik Nederlander geworden. Er is heel veel veranderd. In Nederland ben ik voor het eerst in een kerk geweest. Vrienden nodigden mij uit om mee te gaan naar een evangelische gemeente. Eerst weigerde ik nogal agressief: ik was toch moslim! Maar ik heb me uiteindelijk laten overhalen. Dat kerkbezoek was een openbaring. Ik hoorde muziek en zag mensen in hun handen klappen. Iedereen was vrolijk, terwijl in de moskee altijd een sfeer van droefenis hing. Zo’n vrolijke kerk, dat was echt wat voor mij, want ik ben altijd druk en ik houd van grappen maken. Ik voelde me er heel erg thuis.

Ik heb me bekeerd tot het christendom en een paar jaar geleden ben ik gedoopt. Ik ben ook opnieuw getrouwd. Toen ik nog in het asielzoekerscentrum zat, kwam daar op een dag een dramadocente binnen die een kerstspel wilde opvoeren. Ze zocht een man om Jozef te spelen en kwam bij mij uit omdat ik acteur ben. Zij was de eerste Nederlandse vrouw die ik ontmoette. Ons contact was eerst helemaal niet zo gezellig. Zij had niet zulke beste ervaringen met allochtone mannen en daarom zei ze meteen tegen me: ‘Je moet niet denken dat je een relatie met mij kunt beginnen.’ Ik was diep beledigd. Zij heeft daarna haar excuus aan geboden en ik heb Jozef gespeeld in het kerstspel. Zij speelde Maria. Daarna hielden we contact en gek genoeg kregen we uiteindelijk toch een relatie. We zijn inmiddels getrouwd en ze verwacht ons eerste kind.

Onlangs heb ik een opleiding tot televisiemaker afgesloten. Terwijl ik liep na te denken over een goed onderwerp voor mijn eindopdracht, zag ik Ahmadinejad op de televisie met zijn verhaal dat de Holocaust een mythe was. De praatjes van dat mannetje zetten me aan het denken. Ik vroeg me af waarom hij zo fel tegen Israël is. Wij Iraniërs zijn toch Perzen en geen Arabieren? En toch was er in Teheran een expositie met spotprenten over de Holocaust. Maar over wat er werkelijk tijdens de Tweede Wereldoorlog is gebeurd, mag je niet praten in Iran.

Het vraagteken werd voor mij steeds groter. Wie had er nu gelijk? Ik dacht: als ik zelf nu eens ga uitzoeken wat de waarheid is? Als ik dan een camera meeneem, kan ik daar een film van maken voor mijn eindopdracht. Dan sla ik twee vliegen in een klap.

Ik ben toen met mijn vrouw naar Polen gereisd en heb mijn ervaringen vastgelegd op de video. Ik geef het eerlijk toe: voor de poort van Auschwitz had ik nog mijn twijfels. Door het contact met Nederlanders had ik begrepen dat er echt wel iets met de joden was gebeurd in de Tweede Wereldoorlog, maar ik dacht: misschien zijn er een paar duizend joden omgekomen, maar zes miljoen, dat kan echt niet. Maar toen ik eenmaal in Auschwitz was, begreep ik dat het allemaal echt is gebeurd. Als je daar bent, kun je de waarheid niet langer ontkennen, want je ziet het met je eigen ogen.

Ik was diep onder de indruk. Ik heb er nachtmerries van gehad. Dat die Iraniër op internet durfde te beweren dat hij maar een paar schoenen had gezien in Auschwitz! Ik heb daar duizenden schoenen zien liggen. Allemaal van mensen die op een afschuwelijke manier zijn omgekomen. Ik ben in gebed gegaan en heb God om vergiffenis gevraagd voor al die keren dat ik ‘dood aan Israël’ heb geroepen.

Ik heb als zestienjarige jongen twee maanden als vrijwilliger gevochten in de oorlog van Iran met Irak. Ik wilde mijn land verdedigen omdat iedereen riep dat Iran er helemaal alleen voorstond. Die twee maanden waren verschrikkelijk. Mijn beste vriend is doodgeschoten. Ik ben daarna maandenlang geestelijk ziek geweest. Maar Auschwitz, dat was nog veel erger dan die oorlog tussen Iran en Irak.

De film die ik uiteindelijk heb gemaakt, ziet er een beetje amateuristisch uit omdat ik stiekem heb gefilmd. Bezoekers mogen namelijk niet zomaar filmen in Auschwitz. Maar ik denk dat deze film toch belangrijk is. Niet voor Nederlanders, want die weten het allemaal al. Maar wel voor Iraniërs. Zij weten helemaal niets over de jodenvervolging en vaak willen ze het ook niet weten.

Inmiddels heb ik mijn film laten zien in een Iraanse kerk. De meeste mensen waren onder de indruk. Sommige vrouwen hebben zelfs gehuild. Ze zeiden: ‘we wisten het niet.’ Ik wist het ook niet. Toen ik in Iran woonde, wilde ik ook niets over joden weten. Maar ik weet de waarheid nu en zal alles doen om die uit te dragen.

Opgetekend door Renate van der Zee