In de prehistorie

1379

De Kunsthal, mooi museum aan de Westzeedijk in Rotterdam, is ontworpen door Rem Koolhaas. Het ziet er van buiten eenvoudig uit en het inwendige is zo ingewikkeld dat je erin kunt verdwalen. Dat was me gebeurd en zo was ik in de grote tentoonstelling van het werk van Henry Moore terechtgekomen. Als je tijd hebt, hoeft verdwalen niet vervelend te zijn. Ik bekeek de kolossale sculpturen, herinnerde me de bewondering, de woede en de verontwaardiging die ze een halve eeuw geleden hadden gewekt. Gelukkig ontdekte ik ook zorgvuldig gemaakte foto’s van het baksteenreliëf dat de kunstenaar ergens in de buurt van het station in een muur heeft gemaakt. Moore hoort niet tot de dierbaarste van mijn geestverwanten onder de kunstenaars, maar ik was blij dat ik hem zo uitvoerig kon bekijken.

Terwijl ik daarmee bezig was hoorde ik een dierlijk gebrul. Ergens in de verte, gedempt maar waarschijnlijk nog binnen het gebouw. Ik keek naar een paar andere bezoekers. Hadden die het ook gehoord? Waarschijnlijk niet. Ze bleven verdiept in Moore. En weer klonk dat verre gebrul. Lag het aan mij? Had ik een zo gevoelig trommelvlies? Waren het hallucinaties? In deze tijd kun je alles verwachten, ook in een museum. Ik ging op onderzoek en liep in de goede richting want het volgende brullen klonk van veel dichter bij. Ik sloeg een hoek om, kwam in een schemerige ruimte waar ik een groot kapot ei zag, een meter in doorsnee schat ik. Uit dit ei kwam voor mijn ogen een jongetje van een jaar of vijf tevoorschijn.

Nu zag ik ook waar ik terecht was gekomen: op een tentoonstelling van voorwereldlijke dieren. Naar het skelet van een brontosaurus of een diplodocus hoef je over het algemeen niet lang te zoeken. De meeste grote steden hebben wel een natuurkundig museum met een paar reusachtige geraamtes. Wie Steven Spielbergs film Jurassic Park heeft gezien kan zich er ongeveer een voorstelling van maken van hoe ze zich in het echt hebben gedragen. Maar het blijft film. Bovendien loopt door Jurassic Park een eigentijdse intrige over een oplichter, en dan slaagt Spielberg er ook nog in, de kleutersaurussen guitig te laten kijken. Hoe je je genie kunt bederven.

In de Kunsthal is van dat soort leukigheid, zo’n poging om de prehistorie op te pimpen geen sprake. Daar staan ook geen skeletten maar de reuzen zelf in hun voorwereldlijk vel. Ze bewegen hun geweldige kop in je richting en af en toe laten ze hun gebrul horen. Mijn grootvader had een boek, De wereld voor de schepping van de mensch, geschreven door Flamarion of Flammarion – de Wikipedia weet het niet – dat mij betoverde toen ik een jaar of zes was. Alle saurussen waren in staalgravures aanwezig, en tot slot het mooiste plaatje, een prehistorisch tableau de la troupe met als onderschrift: ‘Deze wezens zijn door nauwe banden met den mensch verbonden’. Sindsdien hoort de voorwereldlijkheid tot mijn lichte verslavingen.

Hoe klinkt volgens ons van de 21ste eeuw het gebrul van toen? Ik zal het proberen te spellen. Oewahhahhahrrrgggg! En dit dan met zware stem langzaam en een keer of vier, vijf uitgesproken. Natuurlijk staat in de Kunsthal een exemplaar van de tyrannosaurus rex, keizer van de prehistorie. Terwijl hij zijn kop naar je toe buigt opent hij zijn bek zodat je de rijen sabeltanden goed kunt zien, hij kijkt je aan met zijn reptielenogen en dan zegt hij het woord dat hierboven staat.

Hoe eigenaardig dat misschien ook klinkt, ik begon me thuis te voelen in deze schemerige ruimte. Verderop ontdekte ik een triceratops met twee jongen, die zoals alle jonge wezens er aandoenlijk onschuldig uitzagen. Toen toch weer terug naar de tyrannosaurus. Als ik eens iets terug zei? Hij bewoog zijn kop in mijn richting, en zachtjes zei ik: ‘Oewahhahahhrrrgggg’. Ik weet niet of hij op antwoorden geprogrammeerd was, maar verbeeldde ik me dat of zag ik een glimpje begrip in zijn blik?

Het werd tijd om te gaan. Na enig zoeken vond ik de uitgang. Daar stond een museumbeambte plichtmatig op te letten. Opeens merkte ik dat het bezoek aan mijn voorouders me had aangestoken. Zou ik of zou ik niet? Een ‘Oewahhahhahrrrgggg’ lag al op mijn lippen. Er zijn situaties waarin de daad aan het besluit vooraf gaat. Deze keer niet. Ik hoorde mezelf een vriendelijk goedenmiddag zeggen. Heb ik er spijt van? Dat zal ik waarschijnlijk nooit weten.

    • S. Montag