Het kleine koninkrijk en de verdwenen spelling. Een sprookje

Heel lang geleden, toen er ’s winters nog dikke pakken sneeuw vielen, zo dik dat schoolkinderen met blozende appelwangen verlangend door de beslagen ruiten naar buiten staarden in de hoop op ijsvrij, was er eens een koninkrijk aan zee dat weliswaar een tikkeltje aan de kleine kant was voor de gebruikelijke heldhaftige ondernemingen die je van koninkrijken verwacht, maar dat niettemin buitengewoon welvarend was. Zo welvarend en gelukkig was dit kleine koninkrijk, dat er zich in het grote regeringspaleis, al van grote afstand te herkennen aan de fier wapperende kleurige vaantjes, voortdurend geleerde commissies bogen over de vraag hoe de onderdanen van dit koninkrijk nóg welvarender en gelukkiger gemaakt konden worden.

Zo was er een speciaal Geleerd Genootschap dat waakte over de taal van het kleine koninkrijk. Deze taal werd gekoesterd als een lastige kasplant die voortdurend bijsnoeien behoefde. Zonder bemoeienis van het Geleerde Genootschap zou de taal van het kleine koninkrijk maar gaan woekeren als een verwilderde bos bramen, vreesde men. Maar daarmee verzweeg het Geleerde Genootschap een diepere zorg. Het Genootschap vertrouwde de taal van het kleine koninkrijk niet meer toe aan de onderdanen van het kleine koninkrijk. Want sinds de Grote Omwenteling, die ergens in de Jaren Zestig van de vorige eeuw had plaatsgevonden en alle onderdanen van het kleine koninkrijk gelijk had gemaakt (maar met behoud van de monarchie), waren die onderdanen stuk voor stuk beduidend dommer geworden. Niet in werkelijkheid natuurlijk, maar de eenvoudigste en veiligste manier om ervoor te zorgen dat iedereen gelijk werd behandeld was om iedereen als even weinig begaafd te beschouwen.

Dus worstelde het Geleerde Genootschap, in een van de comfortabele grote zalen van het paleis met de kleurige vaantjes, met de consequenties van deze ontwikkeling. „Zonnesteek, zonnesteek,” sprak de eerste geleerde. „Lastig. Het is immers wél ‘bosbessenjam’. Dat snapt het volk niet.”

„Onlogisch!” riep de tweede geleerde verontwaardigd. „Pannekoek, zeg ik u!”

„Tranendal en zielepijn”, mompelde de derde, met de dikste brilleglazen. „Dat kunnen we niet aan de mensen uitleggen.”

„On-lo-gisch!” bulderde de tweede geleerde weer, waarna hij zo moest niezen dat er een wolkje poeder opstoof uit zijn pruik.

En terwijl het de leden van het Genootschap zich wat dichter rond het haardvuur schaarden, zetten ze zich aan hun verantwoordelijke taak meer logica en, ja, gelijkheid in de taal van het kleine koninkrijk aan te brengen – via de ingewikkeldste regels denkbaar, want hun geleerdheid mocht niet onbenut blijven. Het bleek een heikele kwestie. Waarom hadden sommige woorden een onhoorbare, overbodige, luxe tussen-n? Voortaan kregen álle woorden een onhoorbare tussen-n – behalve de woorden die hem niet kregen. Verguld met deze kristalheldere oplossing presenteerde het Geleerde Genootschap haar aanbevelingen aan de regering van het kleine koninkrijk, die onmiddellijk alle onderdanen gebood zich aan de nieuwe regels te houden. En dat deden ze, gezagsgetrouw als ze waren, met enthousiasme. Zelfs de koks van het kleine koninkrijk bakten voortaan de nationale specialiteit, de pannenkoek, in twee pannen – uitslovers gebruikten er zelfs drie – en creëerden zo een heel nieuwe bezienswaardigheid voor reizigers. Vanuit naburige koninkrijken sloeg men de ontwikkeling met verwondering gade.

Het verbaasde eigenlijk ook het Geleerde Genootschap, dat meer weerstand had verwacht.

Maar aangemoedigd door dit onverhoopte succes kwam het Genootschap nu iedere twee jaar met nieuwe, ingrijpende spellingswijzigingen die de taal van het kleine koninkrijk nóg helderder en logischer moesten maken totdat elke onregelmatigheid was weggesnoeid en het kristallijnen ideaal van de zuivere logica zo dicht mogelijk zou zijn genaderd.

Al snel was er geen enkele onderdaan meer te vinden in het kleine koninkrijk die nog correct kon spellen. En misschien kwam het hierdoor dat een andere ontwikkeling in het kleine koninkrijk lang onopgemerkt bleef.

Geruime tijd al gingen er geruchten dat de studenten – zoals jongelingen van boven de achttien sinds de Grote Omwenteling in het kleine koninkrijk werden genoemd – niet meer zo goed konden lezen en schrijven. En af en toe werd er in een van de couranten van het kleine koninkrijk een wanhopige schoolmeester in een sleets colbertje aan het woord gelaten, die dan op opgewonden toon mocht vertellen dat de situatie ramp-za-lig was. Men besteedde er weinig aandacht aan. Er was nog nooit iets echt rampzalig geweest in het kleine koninkrijk, in ieder geval niet zolang men zich kon heugen. En ach, wie kon er nu tegenwoordig nog wel spellen? Dat de besnorde gastarbeiders en hun olijfkleurige kinderen in het kleine koninkrijk de taal niet machtig waren, was bekend, maar dat werd ook helemaal niet van ze verwacht. Waar hadden ze die immers voor nodig in de fabrieken?

(wordt vervolgd)

corine vloet