Haest en De Graaff maken hun handen vuil

Een nieuw jaar, een schone lei. Mickelle Haest (links) en Greetje de Graaff maken de wereld alvast vrij van viezigheid. Zij springen als vuilnisvrouw achter op de wagen, schrobben wc’s en lappen alle ramen van de intercity

Mickelle Haest (links) en Greetje de Graaff Jansen, Moon

Vuilnisman

Slaapdronken stappen we in het ochtenddonker uit tram 10 in Amsterdam-Oost. Wij volgen een groepje mannen naar een verlaten terrein. Dit moeten onze collega’s zijn. Zij kennen de code, er schuift een nieuwe wereld voor ons open. We staan in een immense hal met een fantastische collectie werkauto’s, en kijken verlekkerd als jongetjes naar hun nieuwe speelgoedgarage. Playmobilmannetjes in oranje pakken bewegen door de ruimte, de betonvloer blinkt en het stinkt hier niet.

De magazijnbeheerder neemt ons mee langs de kledinglijn. Winterjas, winterbroek, Bata-schoenen met stalen neuzen, werkhandschoenen. De stoere pakken geven de stevigheid die we nodig hebben. In de kantine levert het ons respect op. Vanaf de leestafel wordt er vrolijk en bemoedigend naar ons gekeken. Er werkt slechts één vrouw op de wagen.

Wagen 1216. Beladers Haest en De Graaff springen in de cabine en rijden naast chauffeur Chris het centrum in. Vanuit de bonkende hoogte voelen we ons heer en meester over de slaperige stad. De rayonmanager besloot – niet zonder leedvermaak – ons het zwaarste gebied in te sturen, rondom het Leidseplein. Horeca weegt veel. Chris neemt vol vuur de techniek door. Vanuit de knieën een rechtstreekse slinger, nooit met de rug draaien, anders ben je binnen een paar jaar versleten. Daar staan ze, onze eerste zakken. Medebeladers Patrick en Marciano zwiepen zowel links- als rechtshandig de zakken in razend tempo recht in de gapende mond van de wagen. We werken als gekken, maar met onze korte mikafstand staan we de helft van de tijd in de weg, recht voor het doel. Het uiterlijk van de zak verraadt niets van het gewicht, noch van het gevaar van de lading. Door de zakkigheid van burgers brengen scherven ongeluk in de kuiten van de vuilnisman. Chris waarschuwt ons voor de Chinees, afstand houden, de babi pangang spettert in het rond.

Onze werparm is nog in opleiding, arme Marciano krijgt van De Graaff een zak tegen zijn hoofd. Bij het bedienen van de knoppen gooit Haest Patrick bijna de afvalbak in. We maken vaart, de stad zit ons nu nog niet op de hielen, daar moeten we van profiteren. Rond schemer komen ze uit hun huizen tevoorschijn: haastige fietsers met aktetas of kind, auto’s in file op de gracht. Wij zijn een obstakel geworden voor diegenen wiens troep wij ruimen. De vuilnisman krijgt vaker vuil dan een bedankje. In onze reflecterende dikke huid zijn we weerbaar genoeg, maar vandaag geen last. De verassing van twee vrouwen achter op de wagen verzacht alles. Op de Spiegelgracht opent een heer zijn deur en roept met opgestoken duimen uit: „Wat enig, twee vrouwen als vuilnisman! Ga zo door, goed werk!”

Chris geeft gas, wij springen achterop. Met een voet op de tree, een hand aan de greep en haren in de wind, zwieren wij van pluk naar pluk. Geluk giert door ons lijf. Pas twee uurtjes aan ’t werk en wij kijken al neer op de mooi aangeklede mensen die zich werkwaarts spoeden. Een knap meisje passeert met haar sjaal pontificaal voor haar neus. Opeens begrijpen wij waarom vuilnismannen nooit fluiten.

De wagen zit vol. Op naar de stort. Weegbrug Westpoort: 7,68 ton. Nu ruiken wij pas viezigheid. Over een betonnen glijbaan storten wagens hun lading in een surrealistisch groot gat vol ellendig afval. Een reuzengrijper verplaatst de massa’s troep die wij met z’n allen achter ons laten.

Met nieuwe spieren stappen we de kantine in, pauze. „Als je dit de hele dag doet”, vertrouwt een rijder van de stort ons toe, „slaap je ’s nachts als een baby.” Chris kaant om half 11 – het is nog niet eens lunchtijd – tien broodjes weg. Hij kijkt meewarig naar ons ene krentenbolletje: „Dit bestaat niet, om dit werk te doen, moet er gegeten worden.”

Toiletjuffrouw

Twintig eurocent is de vaste prijs voor een toiletbezoek in het V&D filiaal aan de Amsterdamse Kalverstraat. Ons witte schort heeft twee zakken, in de linker gaan de koperen munten, rechts de gouden. Toiletjuffrouw Irene, al elf jaar in het vak, wijdt ons in. „Je schoteltje kan geen tel zonder je.” Zonder de juf betaalt er niemand of worden de centen gekaapt. Maar die toiletten moeten schoon en het papier aangevuld. Er is niks zo moeilijk als een eigen bezoekje aan de wc, ook al ben je toiletjuffrouw.

Gelukkig, wij zijn met z’n tweeën. De Graaff zit als Dagobert Duck op de centen. Haest trekt haar roze handschoenen aan voor de damestoiletronde. Verkeerd geland wc-papier gaat alsnog in de pot, zwervend maandverband in de hygiënebox, strepen verdwijnen en het eerste paar billen dient zich alweer aan. In alle ijver laat Haest het sop over de emmer gutsen. Irene had gewaarschuwd: „De vloer mag niet nat, dan wordt het spekglad en modderig.” De Graaff verlaat met de zwabber haar post. Hoeveel munten kost ons deze actie?

Haest neemt plaats en past de regels toe, dat blijkt complex. Vijf mensen gebruiken dezelfde wc en trekken maar één keer door, zij leggen 20 eurocent neer. Een meisje verklaart: „Ik ga alleen mijn tampon verwisselen, ik plas niet.” Ze betaalt niks. Haest stamelt… Een scholier gooit gul 50 cent neer, een vrouw met Gucci-tas probeert het met een muntje van 10. Twee mensen verdwijnen samen in één hokje. We hoeven van Irene niet op de deur te kloppen.

De Graaff waagt zich in het hol van de heren. Zijn ze allemaal weg of zat er nou nog één? Het water van het urinoir spoelt de haren niet vanzelf weg. Stom genoeg verwijdert De Graaff ze met het natte doekje. Dan is het dweilen met de kraan open, ze verschijnen nu overal. Dit soort zaken in het vervolg met een wegwerppapiertje verwijderen. Opschieten, herenbezoek, niet alle mannen kunnen plassen in de nabijheid van een Eva, weten we van de vakvrouw.

Wij begonnen goed van vertrouwen, maar de vierde bezoeker die vriendelijk belooft terug te komen, moet eerst zijn portemonnee halen. Zij weten het misschien niet, maar het kost eerst 35 toiletbezoeken voordat we de pacht van vandaag eruit hebben, vervolgens een stuk of 5 voor bleek, schuur en schort en pas dan gaan we verdienen. Moedeloos zien we dat één op de vier gasten die voorbijtrekt het V&D-logo draagt, zij mogen gratis. Ze zijn wel hartstikke lief voor ons. Hoe langer een gast wegblijft, hoe meer zorgen. We zijn niet alleen bang voor wat zij achterlaten, het gevaar gaat verder: een dronkaard in dodemansslaap, een beroerte, of een man die op de juf wacht tot hij zijn blote pistool kan trekken. Opletten en nog eens opletten. De fotolijstjes zitten aan de wand gekit, maar wc-brillen zijn nog steeds mee te nemen. Blijft alles schoon, en wordt er betaald? Politiemannen in witte schorten, dat zijn we. We grijpen een keurige heer in de kraag, die in de drukte zijn kans schoon ziet. De 20 cent die hij voor ons achterhield, lag zelfs al klaar in zijn knuisten.

Treinschoonmaker

In de verkeerstoren rijden vieze treinen als gele streepjes het beeldscherm van de procesleiders op. Wij zien drie lichtjes in de donkere nacht het rangeerterrein in Amsterdam naderen. Via de portofoon wordt de schoonmaakploeg opgeroepen. Wij staan in geel veiligheidsvest op het perron, blauwe vuilniszakken in de aanslag. De ploeg van schoonmaakbedrijf Succes bestaat vanavond uit acht mannen. Vrouwen werken hier niet en de enige Hollander heeft vanavond vrij. Opzichter Can geeft Haest en De Graaff instructies: „Jij pakt ene man, jij pakt andere man.” Wij lopen ieder met een eigen maatje naar het achterste treinstel. Eerst ronde: grof vuil. Haest klimt in de dubbeldekker met Angelo ‘upstairs’, De Graaff daalt met Memet naar beneden.

Het systeem wordt woordeloos duidelijk: de één doet de linkerkant, de ander rechts. Werkhandschoenen aan, alle afvalbakken moeten leeg. Vuilniszak er omheen, bak kantelen. Wij zijn te zachtaardig, het moet met een keiharde klap, alleen dan komt de inhoud volledig naar buiten. Bukken, kadeng, bukken, kadeng, kadeng. Griek Angelo vertelt over zijn muziek, de voltallige band staat de trein te poetsen. Met zijn drieën gaan ze het ooit helemaal maken. Besnotterde zakdoekjes, resten friet, onaangegeten boterhammen hebben het verloren van lekkere reepjes. De bakken bergen minder opwindende schatten dan we hoopten. De enkele verscheurde brief blijkt een overstapschema. Liefdesbetuigingen zijn ge-smst.

Wie een echte schat vindt, moet die naar de procesleiders brengen. De kostbaarste vangst was laatst een slapend kind dat achterbleef toen moeder de koffers buiten zette. Ook grote mensen worden gevonden, slapenden met een geldig kaartje krijgen een taxi naar huis. Zonder kaartje wordt het lopen.

De Graaff eindigt haar grofvuiltocht met Memet in de rijk der heiligen, de cockpit. Memet strijkt liefdevol over de knoppen. Hij ontsteekt een klein lampje en begint zacht te praten. „Mooi hè, mijn vader machinist in Turkije, ik vaak mee.” Memet trok drie jaar geleden naar Nederland om zijn droom te verwezenlijken, in Turkije was geen werk als machinist. Sindsdien werkt hij in de trein. „Moet eerst Nederlands leren.”

We gaan in sneltreinvaart door de treinbakkies heen. Haest en De Graaff zijn na een kwartier buiten adem, de mannen zijn taai. Niks gebeurt met de Franse slag en treuzelen is er niet bij. Het is een gestroomlijnd proces. Elke dag kent zijn eigen modules, wij hebben pech: het is woensdag, MO3. Ramen wassen! Daar staan we, met een spuitbus en zacht lapje aan het begin van honderd meter ramen. We kennen al snel de plekken: boven banken de vette haarafdruk van mijmeraars, op schuifdeuren de vingerafdrukken van ongeduldige duwers. We zien onszelf weerspiegeld tegen de donkere nacht, onze wallen allengs scherper afgetekend. Maar hoe goed we ook poetsen, zichtbaar voor anderen worden we niet. Niemand weet van ons bestaan. Denken ze morgen dat de kaboutertjes het hebben gedaan?

Na drie gewone treinen is de wit glanzende ICE (InterCityExpress) uit Frankfurt aan de beurt. Als in Sprookjeswonderland rijden we er in een autotreintje naar toe.

Ruimte, luxe, vloerbedekking! Een opgewonden gevoel maakt zich even van ons meester, in de ICE is alles anders. Dan begint het: leren stoelen afnemen, vloeren zuigen, restjes pinda’s en glaasjes wijn opruimen. Toen wij aankwamen was het feest al voorbij. Arif zit zelf nooit in de trein. Hij wil in de textiel, net als zijn oom. Voorlopig staan we met z’n allen nog steeds op hetzelfde station.

    • Mickelle Haest
    • Greetje de Graaff