Een rechtlijnige dopingjager

Dick Pound (64), voorzitter van het wereld-antidopingbureau WADA, geldt als een houwdegen in de strijd tegen doping. Maar hij heeft geen spijt dopingzondaar Ben Johnson te hebben verdedigd.

In het magazine van The New York Times wordt deze maand Dick Pound een schreeuwlelijk genoemd. Foto AFP Canadian Richard W. Pound, chairman of World Anti-Doping Agency (WADA), speaks during WADA presentation at The International Sports Convention in Madrid, 15 May 2003. AFP PHOTO Javier SORIANO. AFP

Ja ja, die meneer Museeuw”, zegt Dick Pound met onverholen cynisme. „Zijn bekentenis kenmerkt de houding van sporters die dope gebruiken: blijven ontkennen, hoe schuldig je ook bent. En jaren later, als de carrière is beëindigd, pas toegeven.” De voorzitter van het wereld-antidopingbureau WADA laat er geen twijfel over bestaan hoe respectloos hij een dergelijke houding vindt.

Pound verbleef daags na Museeuws biecht in Lausanne te midden van de internationale pers, die naar de Zwitserse stad was gekomen voor een mediaconferentie over een herziening van de wereld-antidopingcode. Hoewel onbekend met de details in Vlaanderen, greep de opperdopingjager die gelegenheid dankbaar aan om de Belgische oud-wielrenner krachtig te veroordelen.

Want de doorgewinterde Canadees weet hoe het werkt: voor beïnvloeding van de publieke opinie én voor de fondsenwerving van WADA is het belangrijk zo nu en dan een grote vis te vangen en daar gekruid commentaar op te geven. „In dat opzicht was 2006 een voortreffelijk jaar”, sprak Pound in Lausanne zonder scrupules. En hij doelde vooral op de spraakmakende dopingzaken van de wielrenner en Tourwinnaar Floyd Landis en van de sprinter Justin Gatlin, de olympisch en wereldkampioen op de 100 meter.

Verschanst in de catacomben van het Olympisch Museum, in een kale ruimte met wat tafels en stoelen, gaf Pound een aantal interviews, de conferentie een paar uur latend voor wat zij was. Hoestend en proestend, want de WADA-voorzitter was allesbehalve fit als gevolg van een opkomende griep in een naijlende jetlag. Maar de geest was sterk genoeg. En de suggestie dat hij wel een stimulerend tabletje kan gebruiken, wuifde Pound met een besmuikt lachje weg.

In zijn laatste jaar als voorzitter – 1 januari 2008 wordt hij vrijwel zeker opgevolgd door Jean-François Lamour, de Franse minister van Sport – vertoont Pound geen tekenen van erosie. Hij is nog even strijdlustig als altijd. Zoals hij was als zwemmer die in 1960 op de 100 meter vrije slag zesde werd op de Olympische Spelen in Rome. En zoals hij zich opwerkte tot een gereputeerde sportbestuurder.

Vanuit het Canadese Olympisch Comité werd de belastingadvocaat uit Montreal een invloedrijk lid van het Internationaal Olympisch Comité, die door oud-voorzitter Juan Antonio Samaranch dringend was verzocht bij de oprichting in 1999 WADA te leiden en door diens opvolger in 2001, de Belg Jacques Rogge, bijna werd gesmeekt aan te blijven. Pound had destijds willen stoppen. Hij had de verkiezing om de hoogste post van het IOC verloren en wilde Rogge alle ruimte geven om zijn eigen koers te varen.

Maar Rogge wilde Pound niet kwijt, wat veelzeggend is voor diens status en daadkracht. Pound weet van wanten, hoewel zijn directheid niet door iedereen wordt geapprecieerd. Hij kwam hard in aanvaring met onder anderen Hein Verbruggen, de Nederlander die tot voor anderhalf jaar voorzitter was van de internationale wielerfederatie UCI. Ze werden gezworen vijanden, nadat Pound Verbruggen had beschuldigd informatie over een vermeende dopingzaak van de wielrenner Lance Armstrong naar de pers te hebben gelekt.

Verbruggen op zijn beurt betichtte Pound ervan „te schieten op alles wat beweegt”, een veelgehoord verwijt. Hij zou nogal eens voor zijn beurt praten. De Canadees ziet dat anders. „Ik geef alleen mijn mening als de omstandigheden daar om vragen. Ik ben nu eenmaal woordvoerder van een organisatie die wordt geconfronteerd met bedrog op grote schaal.”

Maar vindt Pound niet dat hij onlangs te ver is gegaan met zijn uitlating dat bij Landis tijdens de Tour dusdanig hoge waarden testosteron werden gemeten, dat binnen een straal van honderd mijl geen maagd meer veilig was? „No way”, riposteert Pound. „Ik reageerde op een reeks aantijgingen van Landis over de dopingtest. Toen heb ik gezegd: stop, tot hier en niet verder. Dit zegt een man die gepakt is op een testosteronwaarde van 1:11, terwijl 1:1 normaal is. Dat is meer dan tien keer de norm. En die man trekt een methode van dertig jaar deugdelijkheid in twijfel. Dat gaat te ver. Landis krijgt in hoorzittingen nog alle gelegenheid zijn ongelijk te bewijzen, maar hij moet de integriteit van de wetenschap niet aanvechten.”

Typisch Pound, over wie eerder deze maand boven een geschreven portret in The New York Times Magazine ‘De Schreeuwlelijk’ stond. Maar het deert de Canadees niet, zo lang hij meent te strijden voor rechtvaardigheid. Maar hij heeft wel wat van zijn rechtlijnigheid ten opzichte van de strafmaat ingeleverd sinds veel internationale sportfederaties op meer flexibiliteit aandringen.

Nu ziet ook Pound in dat een standaardstraf van twee jaar niet fair is. „Ik besef dat iemand voor een neusspray niet gelijk behandeld moet worden als iemand die op anabole steroïden is betrapt. In ’t eerste geval zal de straf straks lager dan twee jaar uitvallen, maar een sporter die tienduizenden dollars per jaar aan het eiwithormoon epo of groeihormonen uitgeeft, moeten we langer dan twee jaar kunnen schorsen.”

Die soepelheid van denken houdt bij Pound op als hem wordt gevraagd te reageren op het verwijt dat WADA met een gesloten systeem van eigen wetenschappers, eigen laboratoriums en vaste straffen werkt. De advocaat van Landis heeft bijvoorbeeld grote moeite om documenten in handen te krijgen, door WADA geaccrediteerde laboratoriums mogen sporters niet gebruiken voor een second opinion en beroep is op grond van de wereld-antidopingcode alleen mogelijk bij het sporttribunaal CAS in Lausanne.

Pound, licht verontwaardigd: „Hoezo een gesloten systeem? Het is een sportsysteem waarover de sportwereld afspraken heeft gemaakt. We hebben toch ook met elkaar besloten dat een sprintrace 100 meter moet zijn, een ijshockeywedstrijd uit drie periodes bestaat en een schaatsbaan 400 meter lang is. It’s our deal. En we zeggen niet: als jij steroïden gebruikt, moet je worden opgesloten. Nee, we zeggen alleen: met jou willen we niet meer sporten. En wie tegen zijn straf in beroep gaat, kan rekenen op procedurele bescherming.”

Dat kan zo zijn, maar wat het sporttribunaal betreft heeft Pound zijn aan- en opmerkingen. Hij vindt dat CAS de onafhankelijkheid van de arbiters beter moet waarborgen. In zijn ogen is het onjuist dat velen van hen verbonden zijn aan sportfederaties en anderen advocaat zijn die sporters bij CAS verdedigen. „Een sportpoliticus zou niet moeten oordelen over regels waarover hij ook moet besluiten. En voor een advocaat is het niet goed de ene keer als pleitbezorger en de andere keer als rechter te moeten optreden. Dat is een punt waarover CAS zich moet buigen, waarbij het van belang is dat de arbiters van CAS wel ter zake kundig blijven op het gebied van sport en doping.”

Bepaald star in zijn opvatting is Pound over de out-of-competition-controles, waardoor tal van sporters zich gediscrimineerd voelen, omdat het systeem niet in alle landen en door alle sportfederaties wordt toegepast. De Britse langeafstandsloopster Paula Radcliffe beklaagde zich er onlangs openlijk over, en ook de Nederlandse zwemmer Pieter van den Hoogenband zou graag zien dat er bij al zijn concurrenten net zo vaak als bij hem een dopingcontroleur op de stoep staat.

Pound is niet onder de indruk van die klaagzang. „Wat heb je te vrezen als je geen dope gebruikt? Tegen Paula en Pieter zou ik willen zeggen: sorry, maar dat is de prijs die de besten betalen. Een agent die je aanhoudt wegens het overschrijden van de maximumsnelheid, is ook niet geïnteresseerd in het argument dat anderen nóg harder rijden. Hij zal zeggen: dit is de grens en hier is je bekeuring.”

Even pal staat Pound voor de epo-test, waarvan de deugdelijkheid zelfs door wetenschappers in twijfel wordt getrokken. „Dat kan zo zijn”, reageert de WADA-voorzitter, „maar de ervaren laboratoriums hebben een hoge graad van betrouwbaarheid. Ik vergelijk de test met een cardiogram. Aan de hand van allerlei kriebels kan een cardioloog vaststellen of iemand een hartprobleem heeft. En niemand die zijn diagnose in twijfel trekt. Het ene lab heeft meer ervaring dan het andere om de epo-streepjes te interpreteren, dat is waar, maar er staat nergens geschreven dat je duizend procent zeker moet zijn. Er verdwijnen ook mensen in de gevangenis voor een bewijslast van minder dan honderd procent. Wel vind ik dat de contra-expertise binnen 48 uur uitgevoerd zou moeten worden, omdat door de korte houdbaarheidsdatum van vooral bij epo het gevaar van interpretatieverschil dreigt.”

In algemene zin zou Pound willen dat dopingprocedures versneld worden. Hij ergert zich bijvoorbeeld groen en geel aan de laksheid waarmee Spaanse justitie de Operación Puerto ter hand neemt. Terwijl het nieuwe wielerseizoen op punt van beginnen staat, weet de UCI nog steeds niet welke wielrenners door de Spaanse dopingarts Fuentes behandeld zijn. Naar verluidt zou het om acht renners gaan.

„Heel frustrerend”, zegt Pound met een diepe zucht. „Maar we kunnen niks doen. We zijn afhankelijk van de Spaanse onderzoekers. We moeten maar eens met publieke autoriteiten gaan praten zodat wij worden geïnformeerd voordat de rechtsgang is afgerond. Straks moeten we twee jaar na de overtreding sporters nog eens met een straf confronteren. Bedenk eens welke sportieve en economische consequenties dat kan hebben.”

De interviewtijd zit erop. Pound moet zich melden voor de afsluitende paneldiscussie tijdens de mediaconferentie. Nog één vraag: heeft hij er geen spijt van sprinter Ben Johnson te hebben verdedigd toen die tijdens de Olympische Spelen van 1988 in Seoul werd betrapt op doping? „Nee”, zegt Pound, die daarvoor was gevraagd door de Canadese delegatie. „Destijds was er geen garantie dat atleten fatsoenlijk werden verdedigd. Ik zat alleen in een vervelende positie, omdat ik ook lid was van het uitvoerende comité van het IOC dat over het afnemen van zijn gouden medaille moest beslissen. Ik heb het gedaan omdat Johnson mij onder vier ogen bezwoer geen dope te hebben gebruikt. Nu weet ik wel beter. Maar ik neem het hem niet kwalijk; hij was onderdeel van een team en was gehoorzaam aan zijn coach Charlie Francis. Of ik spijt heb? Ach, iedere advocaat wordt wel eens misleid door zijn cliënt.”