Daar was het water

Het Tsjaadmeer droogt op. Lokale klimaatverandering speelt een rol, maar mislukte irrigatieprojecten zijn doorslaggevend. Dorrit van Dalen

Bol, een stadje in Tsjaad, ligt nog aan het water. Het hart van Bol is nog altijd een strandje waar douanemedewerkers in een schuur een oogje toeknijpen terwijl uit Nigeria gesmokkelde emmers, brommers en macaroni uit gemotoriseerde houten boten worden geladen. Maar erg toegankelijk is die haven niet meer. Jonge smokkelaars, oude vrouwen die vis naar de markt brengen, reizigers – tientallen meters voor de oever moeten ze allemaal uit hun boten stappen, om die wadend tussen de waterplanten door te duwen.

Het Tsjaadmeer, 6000 jaar geleden de grootste binnenzee ter wereld, groeit dicht, verzandt, verzilt en verdroogt. Vijftig jaar geleden lag het in Niger, Kameroen, Nigeria en Tsjaad, nu alleen in de laatste twee landen. President Obansanjo van Nigeria is een van de mensen die waarschuwen dat het meer deze eeuw wel eens helemaal zou kunnen verdwijnen. Zes omliggende landen – behalve de genoemde ook de Centraal Afrikaanse Republiek en Soedan – bespreken in de Commission du Bassin du Lac Tchad (CBLT) wat dat zou betekenen en wat gedaan zou moeten worden om de problemen te beperken. Kan het meer bijvoorbeeld worden bijgevuld?

Het Tsjaadmeer wordt hoofdzakelijk gevoed door de Chari, ‘deze vreemde rivier die de zee zijn rug toekeert,’ zoals André Gide in 1927 schreef. Zo’n dertig jaar nadat hij het legendarische meer overvoer, in 1960, was het volgens de NASA 26.000 km2 groot. Nu beslaat het 1500 km2 in de droge tijd van het jaar en op zijn best misschien 4000 km2. De afname is sinds 1960 sneller gegaan dan ooit in de laatste duizend jaar, volgens klimaathistorica Sharon Nicholson uit Florida. Het is niet precies bekend waardoor dat komt. Maar met een diepte van slechts 4 tot 7 meter is het Tsjaadmeer “een theeschoteltje en zeer kwetsbaar voor schommelingen in klimaat en regenval”, zegt Henry Hooghiemstra, paleo-klimatoloog van het Institute for Biodiversity and Ecosystem Dynamics van de Universiteit van Amsterdam.

conflicten

De veranderingen in dat geologische schoteltje hebben dramatische gevolgen voor de bevolking er omheen. Omdat het grondwater in de omgeving daalt, komen mensen steeds dichter naar de randen van het meer. Daar zijn steeds vaker conflicten tussen veetelers en landbouwers, tussen nieuwelingen en oude eigenaren van de grond. Bij het Tsjaadmeer wordt sinds mensenheugenis ‘natron’ gevonden: de kristalsoda (Na

Maar de concentratie van natron in het grondwater is de laatste jaren op sommige plekken zo hoog dat hele dorpen hebben moeten verhuizen, omdat hun velden onbruikbaar zijn geworden”, zegt onderzoeker Daniel Lantangar van de CBLT. In andere dorpen ziet men hoe vruchtbare beddingen van oude rivierarmen bedolven raken onder woestijnzand. Dat zand werd vroeger vastgehouden door helmgras, maar ook de woestijn verdroogt verder. In het meer verdwijnt veel vis doordat waterplanten de zuurstof in het water absorberen. Groepen vissers betwisten elkaar de krimpende delen van het meer waar grote vissen als de Nijlbaars (Lates niloticus) en Tilapia overleven. Nigeriaanse vissers, die gezamenlijk investeren in grote motorboten, winnen die strijd met gemak. Honderden Tsjaadse vissers van verschillende stammen hebben zich laten verjagen en verjagen elkaar naar de visarme randen van het meer. “Ik werk nu drie dagen voor het geld dat ik vroeger in een paar uur bij elkaar viste”, zegt een van hen. Hij peutert visjes los die vastzitten in de mazen van zijn net. De allergrootste hebben de maat van een hand. Ook spirulina, een vermeend geneeskrachtige wiersoort waaraan veel verdiend werd, is moeilijker te vinden.

Maar wat het meest in het oog springt is het droogvallen van twee grote irrigatieprojecten. In de jaren ’70 werd in Bornu State in Nigeria het South Chad Irrigation Project aangelegd. Met water uit het Tsjaadmeer werden duizenden hectaren grond bevloeid in de meest noordoostelijk gelegen provincie van Nigeria. Sinds enkele jaren staan de irrigatiekanalen daar volledig droog.

In 1998 werd in Tsjaad onder toezicht van de Société du Développement du Lac (Sodelac) 120.000 hectaren polderland drooggelegd ten noordoosten van Bol. Zeven vette jaren braken aan. “De grond is hier zo vruchtbaar, dat kunstmest helemaal niets toevoegt”, vertelt een agronoom van de Sodelac. “Met voldoende water kan je hier elk jaar drie keer oogsten, steeds zestig zakken per hectare.” Dat is ongeveer zes keer zoveel als een hectare elders in de Sahel eens per jaar voortbrengt. Een klein deel van de lokale bevolking en vooral de mensen van de Sodelac heeft het veel geld opgeleverd, maar anno 2006 steken de pijpen waar het water uit het meer vanzelf in zou moeten lopen hoog boven de waterspiegel uit de dijken, zelfs in oktober, november en december als het water op zijn hoogst staat. Op sommige plekken kan het water nog opgepompt worden, maar vaak lukt zelfs dat niet.

Het geologische bassin van het Tsjaadmeer strekt zich uit tot in Algerije en Soedan. Het vormt de bodem onder heel Tsjaad en onder een groot deel van Niger, Nigeria en de Centraal Afrikaanse Republiek. Dat gebied verdroogt en de oorzaak is nog niet gevonden. Lange tijd is landbouw, ook als er niet of alleen met de hand wordt bevloeid, als de belangrijkste factor gezien. (Soedan, Libië en Algerije onttrekken daarvoor volgens de CBLT trouwens meer water aan het bassin dan de landen aan het meer). Water op akkers verdampt immers sneller dan water in meren of onder de grond. Ook houtkap en overbegrazing zorgen voor snellere verdamping.

Verwoestijning zou zo de schuld van mensen zijn. Klimatoloog Jules Charney wreef in de jaren ‘70 nog eens extra zout in die wond: hij stelde dat daar waar begroeiing in de Sahel (die samenvalt met het stroomgebied van het Tsjaadmeer) eenmaal weg is, de stralingswarmte van de aarde zozeer toeneemt, dat neerslag daarboven verdampt voordat hij kan vallen. De degradatie van de woestijn zou zo onomkeerbaar zijn. Op grond daarvan legt menig ontwikkelingswerker Sahelbewoners nog altijd uit dat ze bomen moeten planten, omdat die regen aantrekken.

Sinds de jaren ‘80 wordt algemeen aangenomen dat de meeste verdroging in de Sahel niet veroorzaakt wordt door foute beplanting. En ook de invloed van de klimaatverandering is moeilijk te voorspellen. In de afgelopen jaren zijn er zelfs studies verschenen die erop wijzen dat het woestijnoppervlak afneemt in de Sahel. Ook de regenval in het gebied is weer bijna terug op het gemiddelde (zie ook ‘de woestijn bloeit op’ en ‘de zee en niet de geit’, W&O, 29 april). Een verontrustende ontdekking was wel dat in de Sahel plaatselijk geen helder verband lijkt te bestaan tussen regenval en boom- en plantengroei. Wageningse onderzoekers spraken de vrees uit dat de Sahelbodem de laatste decennia is gedegradeerd.

kanaliseren

De lokale bevolking rond het Tsjaadmeer gelooft niet in de toegenomen regenval boven de Sahel. “Wij zien er voorlopig niets van”, reageert een inwoner van Bol. Ook Anada Tiega gelooft niet in een nattere Sahel. Aan de verdroging, of klimaatverandering in het algemeen, is weinig te doen, meent hij. Wel aan sommige milieuproblemen die er door versneld worden. De Nigerijn Tiega leidt een CBLT project voor het behoud van het milieu. “Wat we moeten doen is erosie en sedimentatie tegengaan, vervuiling met pesticiden tegengaan die gebruikt worden bij het drogen van vis, stoppen met overbevissing, watergrassen en waterhyacint bestrijden, en zorgen dat bij irrigatie niet zoveel water verspild wordt.” Maar dat gebeurt nauwelijks.

Tiega zit met een handvol collega’s, waarvan de helft niet de nodige opleiding heeft, in het enorme en prestigieuze hoofdkantoor van de CBLT in N’djamena. Op andere gangen is het licht uit. “Het probleem is bestuur. Op elk niveau, van vissers tot aan regeringen, is gebrek aan overleg en worden afspraken niet nagekomen. De Sodelac gaat door met water wegpompen, de regering van Tsjaad betaalt al tien jaar de contributie niet.”

Waar zijn bazen wel mee komen is een plan om het Tsjaadmeer weer op te vullen, met water uit de Oubangi, een rivier die tussen de twee Congo’s door naar de Atlantische Oceaan stroomt. Het plan om die langs een traject van 1350 km te kanaliseren en door de Centraal Afrikaanse Republiek naar de Chari te leiden, is al oud. Maar in augustus 2006 heeft de Democratische Republiek Congo verklaard ‘niet tegen’ een haalbaarheidsstudie te zijn. De Wereldbank (die nog geen aanvraag heeft ontvangen) zou die moeten financieren. Dat het plan onrealistisch is, wil Tiega niet hardop zeggen. “Maar ik weet niet hoe de regeringen erbij gekomen zijn, en het eist wel al hun aandacht op.”

Henry Hooghiemstra ziet ook weinig in zo’n oplossing, nog afgezien van de waterschaarste die mogelijk in Congo zou ontstaan. “Wat schiet je ermee op als de verdamping zo snel gaat? Je moet eerst weten wat de veranderingen in neerslag drijft en hoe lang de verdroging zal duren voordat je de juiste maatregelen kunt nemen. Zo’n Oubangui plan doet net als veel klimaatbeleid denken aan een brandweerdienst die blust zonder eerst na te gaan of er ergens een gaskraan openstaat.”

Wat kan de bevolking rond het meer doen? “Verhuizen”, zegt Hooghiemstra, “dat is de enige optie. Dat is wat bevolkingen duizenden jaren geleden deden, toen bijvoorbeeld Mesopotamië opdroogde. Maar in de moderne, begrensde wereld is dat moeilijk. Het grootste oppervlakte van de aarde is cultuurlandschap geworden. Jammer dat regeringen daarover niet méér nadenken.”