Bestaat God wel?

Ook een atheïst kan zich met Kerstmis niet onttrekken aan een snufje religie. De bijbel is mij te gruwelijk en te gedateerd, maar er was een alternatief: de biochemicus Francis Collins heeft een boek geschreven, ‘The language of God’ (Free Press, 2006), waarmee ik al maanden om de oren word geslagen door christelijke collegae, omdat Collins het wetenschappelijke bewijs voor de zinnigheid van geloof zou hebben geleverd. Collins is niet de eerste de beste. Hij is niet zo briljant als op de flap van zijn boek staat, maar een goede vakman die iets heeft bijgedragen aan de opheldering van de oorzaak van aangeboren stoornissen, zoals de taai-slijmziekte. Hij is al jaren de directeur van het Humane Genoom Project en mijn biochemische collegae denken dat hij de speech van Clinton heeft geschreven toen die de opheldering van het menselijk genoom mocht aankondigen en de A, T, G en C van ons DNA als de taal van God omschreef. Ik was dus wel benieuwd hoe hij God en DNA onder één noemer brengt.

Eerst de goede boodschap: dit is een handig boek voor christenen die nog worstelen met de discrepantie tussen Bijbel en Darwin. Vanuit zijn geloof weerlegt Collins de tegenwerpingen tegen evolutie veel effectiever dan een atheïst dat ooit zou kunnen doen. Hij heeft te doen met al die Bijbelfanaten en neemt ze liefdevol bij de hand om ze de wondere wereld van de hedendaagse biologie en kosmologie binnen te leiden. Ook absurde scenario’s van fundi’s behandelt hij minutieus: zou God ons genoom volgeplempt hebben met niet-functionele genen om ons te misleiden en ons geloof te testen? Uiteraard niet. “Geen serieuze bioloog twijfelt vandaag nog aan de juistheid van Darwins evolutie theorie. Evolutie als mechanisme moet wel juist zijn”.

Collins combineert zijn natuurwetenschappelijke wereldbeeld met een vurig christelijk geloof. Hij meent ook harde wetenschappelijke argumenten aan te kunnen voeren voor zijn mening dat geloof in God plausibeler is dan atheïsme. Vanaf dit punt verliest het boek overtuigingskracht en heeft Collins zelfs moeite om de feiten nog precies te presenteren. Het begint al met Collins’ jeugd. De flap beschrijft de dramatische reis van atheïsme naar geloof, maar wie het boek leest ziet al gauw dat ex-atheïst Collins de gebruikelijke Amerikaans-christelijke wortels heeft. Weddenschappen afsluiten met God, zingen in een kerkkoor, dat hoort niet bij een solide atheïstische opvoeding kan ik u verzekeren. De bekering van Collins is een terugkeer naar geloof, niet een atheïst die plotseling het licht ziet.

Het gaat echter niet om de wijze waarop Collins aan zijn geloof is gekomen, maar om de onderbouwing. Collins begint met vast te stellen dat hij natuurlijk niet kan bewijzen dat God bestaat en dat geloof in God altijd een “leap of faith”, een sprong in het goedgelovige vereist. Na aldus zijn eigen bewijsvoering bij voorbaat onderuitgehaald te hebben, komt Collins met twee argumenten aanzetten: Zijn eerste is de Morele Wet, de “wet van het fatsoenlijk gedrag”, het besef van recht en krom dat bij alle mensen aanwezig is. Hoewel dieren soms een rudimentaire vorm van moreel besef vertonen, is het echte besef van goed en kwaad voorbehouden aan de mens, denkt Collins. Omdat dit besef geen aanwijsbare evolutionaire oorsprong heeft, moet het een reflectie zijn van de speciale relatie die God met de mens is aangegaan.

Hier klopt geen hout van, wetenschappelijk gezien. Hoog ontwikkelde sociale zoogdieren hebben wel degelijk weet van goed en kwaad, van fair en niet fair. Alleen Collins weet dat niet. Had hij het boek “De aap in ons” van Frans de Waal gelezen, dan had hij die onzin over de exclusief menselijke Morele Wet zo niet opgeschreven. Die Morele Wet van Collins is overigens nogal eenzijdig geformuleerd. Verder dan het Nieuwe Testament en het “keert de andere wang” kijkt Collins niet. De inquisitie, de gelovige die zichzelf opblaast in een supermarkt, de paus die condomen verbiedt, dat vindt Collins geen echte religie. Dat zijn de “roestige vaten” waarin het “zuivere water van het geloof” per abuis terecht is gekomen.

Historisch lijkt mij dit een onhoudbaar standpunt. Net als bij chimpansees is de Morele Wet bij de mens van oudsher beperkt gebleven tot de eigen clan. In het Oude Testament worden tegenstanders nog met enthousiasme integraal omgebracht. De oudtestamentische God is een wraakzuchtig mannetje. Niks fatsoenlijke behandeling van medemensen: afslachten die hap met hun foute God. Het is Collins ook ontgaan dat zijn Morele Wet mensen zelfs kan aanzetten tot gruwelijkheden tegen de eigen clan – mensenoffers – iets waar de minder sophisticated chimpansee nooit op is gekomen.

Het tweede argument van Collins voor het bestaan van God is dat iedere menselijke cultuur altijd God heeft gezocht en dat God dus moet bestaan. Wat een wonderlijk argument! Die zoektocht naar goden (niet God!) was logisch toen mensen nog van toeten noch blazen wisten en zich het noodlot met gebeden en offers van het lijf poogden te houden. Nu bidden mensen niet meer tot Zeus of Wodan, maar gespen hun autogordel aan en betalen hun verzekeringspremies. Afkloppen op ongeverfd hout, je horoscoop lezen, bidden in de hoop dat de wetten van de natuur even terzijde worden geschoven voor jouw speciale geval, Mariaverering, het gebeurt allemaal, maar moeten we dat nu echt zien als bewijs voor het bestaan van God, Maria, Wodan, etc.? Dat zijn primitieve reacties van simpele zielen. Met wetenschap heeft het niets te maken.

Zelfs in Amerika, waar een oppervlakkig en zelfgenoegzaam soort christendom de norm is, geloven slimme, ontwikkelde mensen nauwelijks. Meer dan 90% van de Angelsaksische wetenschappelijke elite – de leden van de US National Academy of Sciences en van de Britse Royal Society – geloven niet in een persoonlijke God. Die zoektocht naar God is dus niet van alle tijden, maar van verleden tijden. Wie nog twijfelt leze het goed gedocumenteerde boek van Dawkins, “The God Delusion”, in de NRC besproken op 3/11/06.

Aan het eind van het boek laat Collins iedere wetenschappelijke pretentie varen. Hij komt tot Jezus Christus en beweert glashard dat aan de historische juistheid van de bijbelse beschrijving van Jezus niet getwijfeld wordt. Als Collins eenmaal deze draai heeft gemaakt gaat alles schuiven: terwijl hij God eerst nog alleen op heeft laten treden bij de oerknal, waarna alles netjes volgens de natuurwetten verliep, gaat hij nu twijfelen: misschien bestaan er toch wel wonderen, niet zo vaak als de katholieke kerk ons wil doen geloven, maar helemaal uitsluiten wil Collins die wonderen toch niet. Ook blijkt God nu wel degelijk beschikbaar te zijn om naar de gebeden van Collins te luisteren. Hij beklemtoont eerst dat er geen enkele aanwijzing is voor een ingrijpende God, maar eindigt toch met de nogal onwetenschappelijke wens dat God een handje toesteekt als hij in de penarie zit.

Het antwoord op de vraag “bestaat God wel, wetenschappelijk gezien”, blijft dus negatief. Er is geen aanwijzing voor het bestaan van een interveniërende God die over ons waakt en die onze gebeden verhoort. Het boek van Collins verandert daar niets aan. Het is nooit mogelijk om het ontbreken van een God sluitend te bewijzen, maar zo’n God blijft onwaarschijnlijk. Alle geloof is, wetenschappelijk gezien, bijgeloof. De morele pretenties van gelovigen zijn op drijfzand gebouwd, voor zover ze zijn gebaseerd op aanwijzingen van Hogerhand. Het valt te hopen dat Wouter Bos dat in het oog houdt bij de lopende kabinetsformatie.