Word maar lekker rijk

Veel verdienende studenten krijgen minder ‘stufi’.

Ondernemingszin wordt zo bestraft in plaats van beloond.

Voor studenten die studiefinanciering (stufi) ontvangen geldt de bijverdienregeling. Die regeling houdt in dat studenten maximaal 10.630,74 euro netto per jaar mogen bijverdienen zonder gekort te worden op hun financiering. Verdienen ze meer, dan moeten ze de financiering stopzetten en eventueel te veel uitgekeerd geld terugbetalen. Daarbij worden studenten vaak ook nog beboet voor oneigenlijk gebruik van de OV-jaarkaart.

De gedachte achter deze regeling is dat alleen de studenten die het echt nodig hebben een studiebijdrage behoren te krijgen. Dat klinkt logisch. Toch is de bijverdienregeling bovenal fraudegevoelig, oneerlijk en bureaucratisch.

1De bijverdienregeling voorkomt niet dat veelverdienende studenten minder financiering ontvangen. Studenten hoeven namelijk pas de financiering stop te zetten op het moment dat zij het grensbedrag hebben verdiend. Per 1 januari gaat de beurs dan weer gewoon in. Dat betekent dat sommige studenten per jaar soms maar één of twee maanden financiering mislopen. Studeren zij langer dan vier jaar – wat vaak het geval is – dan ontvangen zij over hun gehele studieperiode toch al snel de volle 48 maanden basisbeurs. De bijverdienregeling dwingt hen dus alleen tot een bureaucratische handeling: jaarlijks even de beurs stopzetten en in januari weer aanvragen.

2Studenten hebben het recht zelf te beslissen hoeveel geld ze willen bijverdienen of lenen. Studiefinanciering is immers geen inkomensafhankelijk recht, maar een recht gekoppeld aan het volgen van een studie. Bovendien is het slechts een basisvoorziening die niet kostendekkend is. Bijverdienen of lenen is dus vaak zelfs noodzakelijk en de keuze voor het één of het ander valt onder de verantwoordelijkheid van de student. De overheid hoort deze keuzemogelijkheden niet zomaar te beperken.

3De bijverdienregeling ontmoedigt ondernemerszin. De regeling is extra bevreemdend nu de overheid en het onderwijs zo stevig inzetten op het bevorderen van ondernemerschap onder studenten. Méér verdienen wordt afgestraft, ook omdat inkomsten uit een eigen bedrijfje bruto worden meegeteld als inkomen, terwijl een werknemerssalaris netto wordt meegeteld. Dat kan al snel 30 procent schelen, zonder dat daar een geldige reden voor is. Bovendien geldt voor een studentondernemer níet dat hij zijn financiering stop moet zetten zodra hij de bijverdiengrens heeft bereikt. Zijn inkomen wordt jaarlijks gemiddeld. Blijkt hij toch te veel te hebben verdiend, dan krijgt hij achteraf alsnog een boete, zelfs als de beurs reeds is stopgezet toen de grens nog niet was bereikt.

4Het inkomen is geen maatstaf voor studieprestaties. Toch voeren voorstanders van de bijverdienregeling vaak aan dat werken studenten weerhoudt van studeren. Maar succesvolle studenten kunnen snel veel geld verdienen en toch genoeg tijd over houden voor hun studie. Het is eerder andersom: ondernemende, hardwerkende studenten verdienen meer én studeren vaak ook sneller en beter.

5De bijverdienregeling kost geld. Staatssecretaris Bruno Bruins (Onderwijs, VVD) beweert dat de regeling de overheid veel geld bespaart. Nu wordt er inderdaad in zeer beperkte mate minder studiefinanciering uitgekeerd. Maar daar staan forse uitvoeringskosten bij de Belastingdienst en de IB-Groep tegenover. De gederfde belastinginkomsten vanwege niet-werkende studenten is groter. De regeling kost dus eerder geld dan dat het de overheid iets oplevert.

Kortom, het wordt hoog tijd dat de overheid stopt met het pesten van studenten, met het bestraffen van ondernemerschap en met het uitdelen van oneigenlijke boetes. De bijverdienregeling moet worden afgeschaft.

Alexander Pechtold en Martijn van Dam zijn leden van de Tweede Kamer, respectievelijk voor D66 en de PvdA. De andere schrijvers Ton Monasso en Peter Scheffer zijn voorzitter van respectievelijk de Jonge Democraten en de Jonge Socialisten.

    • Alexander Pechtold
    • Martijn van Dam E.A