Weer die Capote-mop

Gore Vidal Foto Mario Anzuoni/Reuters Writer Gore Vidal accepts the Lifetime Achievement award at the "2005 Literary Awards" hosted by PEN USA at the Biltmore hotel in Los Angeles on November 9, 2005. Vidal was honored for his outstanding work as novelist, playwright, and essayist. His debut as novelist was with "Williwaw" at 19 years old. REUTERS/Mario Anzuoni REUTERS

Gore Vidal: Point to Point Navigation. A Memoir. Doubleday, 288 blz. € 30,–

Al vaker heeft Gore Vidal zich erover beklaagd dat er weliswaar meer romans worden verkocht dan vroeger, maar het relatieve belang van de roman in het openbare leven veel kleiner is geworden: film, meer dan literatuur, is volgens hem de lingua franca van de 20ste eeuw geworden. Ook zijn eigen leven, schrijft hij in dit tweede deel van zijn memoires, is sterker gekleurd door films dan door de romans die hij vanaf zijn jonge jaren heeft verslonden. Films en literatuur vormden niet alleen zijn opvattingen over liefde en oorlog, maar legden ook de fundamenten van zijn kennis van de geschiedenis; ook schrijft hij met enige weemoed over zijn eigen gemiste carrière als filmacteur.

Point to Point Navigation is een los vervolg op Palimpsest (1995), dat eindigt in 1964, het jaar waarin Vidals Julian, een anti-christelijke roman over de laatste heidense Romeinse keizer die had geprobeerd het voorchristelijke heidendom te laten herleven, onverwachts een bestseller was geworden. Julian is misschien wel het hoogtepunt van Vidals romanoeuvre, zoals zijn dikwijls en altijd smakelijk verhaalde belevenissen op de set van Ben Hur (1959) het hoogtepunt van zijn carrière in de filmwereld vormden. Kun je na zulke pieken je leven nog anders beschrijven dan als een geleidelijk pad omlaag? Is Vidals leven van na 1964 inderdaad minder memorabel dan zijn eerste veertig jaar?

Je zou het haast denken, afgaand op de omvang van dit tweede deel, dat nauwelijks half zo dik is als het eerste. Ook is het niet simpelweg een chronologisch verhaal van wat er na 1964 gebeurde met zijn carrière als romancier, scriptschrijver, politicus, talkshowgast, society-beroemdheid, en als politiek pamflettist. De titel, een scheepvaartterm die duidt op het varen op vaste herkenningspunten onderweg, in plaats van op een kompas, geeft al een idee van de opbouw van dit boek: voortdurend van koers veranderend, zonder vooropgezet plan en zonder eenduidige richting.

Maar juist omdat Vidal zo’n regelmatig optredende publieksfiguur is, loopt hij onvermijdelijk het risico in herhalingen te vallen. Veel van wat hier staat heb je al eens eerder gelezen, is het niet in Palimpsest, dan is het wel in een van zijn essays. Storend wordt dat hooguit wanneer hij voor de zoveelste keer dezelfde mop over Tennessee Williams of Truman Capote vertelt, of hetzelfde verhaal van zijn afwijzing van het lidmaatschap van de American Academy of Arts and Sciences met de opmerking dat hij al lid van de Diner’s Club was. Omgekeerd ontbreken hier weer enkele van Vidals beroemdste wapenfeiten van na 1964, zoals de tv-uitzending in 1968 waar hij de conservatief William Buckley zo kwaad maakte dat die hem live voor ‘flikker’ uitschold, of de keer dat hij kopstoten en maagstompen met Norman Mailer uitwisselde, vlak vóór een televisiedebat. Herhaaldelijk dreigen deze stuurloze memoires te vervallen in het soort societyroddels dat Vidal Truman Capote en Barbara Cartland verwijt: in zijn zwakste momenten leest Point To Point Navigation als een parade van de rich and famous, onder wie prinses Margaret, Jackie Onassis, Aldo Moro en Graham Greene.

Te midden van dit illustere gezelschap is Vidal zelf merkwaardig afwezig. Toevallig is dat niet. Hij is nu eenmaal niet het soort schrijver dat zichzelf tot onderwerp heeft gemaakt, en is domweg niet geïnteresseerd in zijn eigen privéleven, of in dat van anderen. Hij vraagt zich ergens met zoveel woorden af wat hij überhaupt over zijn dagelijkse leven met Howard Auster, zijn partner van meer dan een halve eeuw, zou moeten schrijven. Verwacht van Vidal dus geen ontboezemingen over zijn diepste angsten, kwellingen en obsessies: hij vindt het duidelijk chique om over zulke gevoelens, mocht hij ze al hebben, er het zwijgen toe te doen. Zo is hij ook wanneer hij over seks schrijft, en dat is vaak genoeg, altijd intelligent en dikwijls oergeestig, maar vrijwel nooit intiem.

Een komisch hoogtepunt in het boek is de beschrijving van Vidals voorzitterschap van de jury op het filmfestival van Venetië in 1990. De andere juryleden waren Omar Sharif en een horde feministes, die volgens Vidal en bloc voor Sharifs charmes waren gevallen. Met duivels plezier beschrijft hij zijn machinaties en manipulaties om er, ondanks deze feministische en politiek-correcte overmacht, voor te zorgen dat de Gouden Leeuw voor de beste film voor de verandering eens echt naar de beste film ging. Maar in deze memoires schittert Vidals venijnige gevoel voor humor goeddeels door afwezigheid. Toegegeven, er valt als vanouds te grijnzen en te gniffelen om Vidals dikwijls dodelijke sneren aan het adres van zijn favoriete vijanden, zoals rivaliserend wonderkind Truman Capote, de neoconservatieve joodse columnist Norman Podhoretz, de New York Times, en zijn biograaf Fred Kaplan. Maar het valt op dat de geestigste en politiek meest incorrecte opmerkingen toch zijn oudere uitlatingen zijn. Vidal lijkt met zijn gedachten duidelijk ergens anders te zitten. Daardoor heeft dit boek een heel andere toon dan zijn voorganger: veel nadrukkelijker gedenkt het vrienden, vijanden, verwanten en generatiegenoten die gestorven zijn. Inderdaad doemt te midden van al dit laveren en passagieren voortdurend één navigatiepunt op: Rock Creek Cemetery in Washington, het toekomstige eindpunt van Vidals reis waar hij al jaren geleden een plekje voor zichzelf en zijn partner Howard heeft gekocht.

In zijn meditaties over de menselijke sterfelijkheid en de beperkingen van het geheugen refereert hij herhaaldelijk aan de Franse essayist Montaigne, één van zijn grote voorbeelden. Montaigne is ook Vidals leidsman bij de beschrijving van de dood van zijn partner Howard in 2003. Zorgvuldig registreert Vidal zijn observaties, en even zorgvuldig verzwijgt hij zijn emoties. Dat maakt deze passage in al zijn ingehoudenheid des te indrukwekkender. Vidal lijkt hier een voorbeeld aan de stervende Howard te nemen, die niet met hem wilde praten, ‘want er is te veel te zeggen.’

Het is dit nadrukkelijk besef van de aanwezigheid van de dood dat dit boek zo’n andere toon geeft dan Vidals eerdere werk. Die toon zou je als ‘elegisch’ kunnen omschrijven, als die term niet een soort huilerigheid suggereerde die in het geheel niet bij Vidal past. Ze is ook niet sentimenteel, maar blijft een publieke en zelfs politieke bijklank houden: door het hele boek weerklinkt ook de zorg over de altijd sterke, en in de laatste jaren alleen maar toenemende, censuur en zelfcensuur in Amerika. In de jaren vijftig werd Vidal door een roman over een homoseksuele affaire jarenlang tot persona non grata in de boekbesprekingen van de gezaghebbende kranten; recenter had hij de grootste moeite om zijn gepeperde essays over de aanslagen van 11 september en de daaropvolgende ‘oorlog tegen terreur’ (volgens hem even zinvol als een oorlog tegen roos en haaruitval) in de Amerikaanse mainstream media gepubliceerd te krijgen. Met name dankzij het internet heeft hij in zijn laatste jaren een comeback, of veeleer een nieuwe carrière, als radicaal politiek commentator gemaakt.

Vidal straalt geen zelfgenoegzaamheid uit over het gelijk dat de tijd hem op veel punten heeft gegeven: in plaats daarvan hangt over dit boek een welbewust of zelfs wanhopig serene stemming. Vidals traditionele sarcasme heeft plaatsgemaakt voor een verstild pessimisme in het aangezicht van onomkeerbare klimaatsveranderingen, van het einde van de Amerikaanse republiek, en van zijn eigen naderende dood.