‘Wat we ook doen, het is nooit goed’

Vice-voorzitter Hein Verbruggen van de internationale wielerunie voorspelt in reactie op dopingnieuws uit België meer dopinggevallen. „Het is een hopeloze toestand.”

Verbruggen Foto V. Mentzel Hein Verbruggen FOTO: Vincent Mentzel Mentzel, Vincent

Ward op den Brouw

Na de storm in het glas water die de vermeende positieve dopingtesten van de nummer twee uit de Tour de France Oscar Pereiro waren, werd de wielerwereld deze week opgeschikt door een dubbelklapper uit België. Dinsdag bekende oud-wielrenner Johan Museeuw dat hij in de nadagen van zijn carrière verboden stimulerende middelen heeft gebruikt, een dag later volgden beschuldigingen aan het adres van zijn oud-ploegleider, manager Patrick Lefevere van Quickstep, dat die renners zou aanzetten om dope te gebruiken. Hein Verbruggen, die vorig jaar het voorzitterschap van de internationale wielerunie (UCI) overdroeg aan de Ier Pat McQuaid, is in België voor het WK veldrijden dat dit weekend in Hooglede-Gits wordt gehouden.

Er komt geen eind aan de berichten over doping in het wielrennen.

Verbruggen, nu vice-voorzitter van de UCI: „Ja, en dat zal wel blijven duren ook. Daar hoef je niet te veel fantasie voor te hebben. Er zijn nog heel veel renners uit het verleden, dan hebben we het over de jaren zeventig, tachtig en negentig, van wie op een gegeven moment een keer boven water zal komen dat ze misschien iets gedaan hebben wat niet mocht. Ik heb altijd gezegd; het Festina-schandaal heeft ons in het middelpunt van de belangstelling gebracht en dat gaan wij een generatie lang met ons meedragen. Dat geldt voor iedereen. Als ik zou hebben meegewerkt aan doping en dat komt over tien jaar uit, dan geldt dat ook voor mij.”

Moeten we nu gaan graven in het verleden van Hein Verbruggen?

„Dat kunt u rustig doen en dat is al veel gedaan door uw Franse collega’s en er is nooit iets gevonden. Daar gaat het ook niet om. We zitten in een situatie dat doping de aandacht heeft van de pers – ik denk veel meer van de pers dan van het publiek – en de pers zal blijven graven. Dus als je ooit ergens bij betrokken bent, blijf je kwetsbaar. Wat mezelf betreft; ik denk dat ik m’n best heb gedaan in de strijd tegen doping. Interessant is dat de Franse pers nooit achter Franse renners aan gaat. De Italiaanse pers gaat nooit achter Italiaanse renners aan. De Belgische pers gaat voor het eerst achter de Belgen aan. Dat is nieuw.”

Het publiek heeft volgens u niet zoveel moeite met dopingaffaires?

„Je hebt de echte wielerfans, die over het algemeen de sport erg trouw blijven, en de mensen die geen wielerfan zijn. Bij die laatste groep wordt de reputatie er natuurlijk niet beter op. We hebben daar uitgebreid onderzoek naar gedaan. De echte wielerfan geeft zichzelf een beetje schuld van een eventueel dopingprobleem, omdat hij zegt, ‘er zijn er wel die pakken, maar wij vragen ook te veel. Wij vinden het ook zo mooi dat ze zeven cols op gaan, terwijl het er ook vier of vijf kunnen zijn’.”

De wielerliefhebber zou het prettig vinden als hij voor de start van de Tour van dit jaar [op 7 juli in Londen] weet wie de winnaar van de Tour van 2006 is.

„Ja, wij allemaal. We zitten er hier [vandaag op het UCI-congres in België] nu net over te praten. En het is een hopeloze toestand.”

Als we naar de affaires kijken is toch sprake van een bizarre situatie?

„Het is een ramp.”

Terug naar België. Lefevere is ook voorzitter van de vereniging van ProTourploegen en strijdt hij vooral in die hoedanigheid tegen doping. Is hij een wolf in schaapskleren?

„Ik doe geen enkele uitspraak over Lefevere.”

Vond u het verstandig dat hij Museeuw naar Quickstep haalde als pr-man, terwijl die als oud-renner werd verdacht van dopegebruik?

„Ik vraag me af of ik dat gedaan zou hebben.” Verbruggen lacht. „Ik vind Museeuw een verdomd aardige jongen, misschien zou ik door zijn charme ook verleid zijn, maar al met al was dat misschien niet ideaal. (...) Ze hebben daar toen ongetwijfeld een inschatting gemaakt van de risico’s.”

U heeft na de Festina-affaire in 1998 bemiddeld om Richard Virenque een jaar later terug te krijgen in het peloton, bij Polti. Keek u ervan op dat Lefevere Virenque – die jarenlang zijn onschuld had volgehouden en uiteindelijk voor de rechtbank toegaf dat hij dope had gebruikt – na diens schorsing naar Domo [voorganger van Quickstep] haalde?

„Nee. Als iemand z’n straf heeft uitgezeten, dan zijn de principes bij ons van dien aard dat je er verder niet over moet lullen.”

De manier waarop de wielerwereld zelf met renners als Jan Ullrich en Ivan Basso omgaat, maakt de chaos alleen maar groter.

„Mag ik dan even de bal terugspelen? Wij worden door de publieke opinie, met name door de pers, op een onvoorstelbare manier achtervolgd over doping. Dan moet je toch ergens begrip hebben voor het feit dat er gezocht wordt naar alles om daar van af te komen? Dan, in paniek, ik kan niet anders zeggen, gaan de ploegen een ethische code aannemen waar je als jurist grote vraagtekens bij kan zetten. Maar ze worden de hemel in geprezen door de pers, omdat ze bereid zijn dat te doen. Iedereen tevreden, dan zie je wat het resultaat is – zie [de uitsluiting uit de Tour van] de heren Basso en Ullrich. Wij hebben onze juristen van de UCI dat nog bij laten sturen, maar in paniek gaan we dit soort dingen doen. We worden er voor geprezen, want we doen iets, en vervolgens krijg je de bal terug, zo van, ‘het is schandalig zoals jullie Basso en Ullrich behandelen’. Vanuit een zuiver juridisch standpunt en mensenrechten zou je kunnen zeggen dat dat niet mag. Maar wat moet je nu onderhand nog doen? Het is ook nooit goed! Wij kunnen hier nooit goed uitkomen.”

Is er licht aan ’t eind van de tunnel?

„Ja. De nuchtere cijfers, die tellen gewoon. In ons antidopingprogramma zijn we consistent. Operacion Puerto: we hebben het over onszelf afgeroepen, want ik heb zelf brieven geschreven naar die Spaanse minister: doe eens iets, ga er eens achteraan. We doen het aantal controles dat we moeten doen, we hebben gezondheidscontroles en we zien formidabele resultaten. We zien heel duidelijk een mentaliteitsverandering bij de renners. Maar ja, het hele peloton dat in de jaren negentig reed toen epo niet ontdekt kon worden, daar zul je nog gevallen tegenkomen zoals nu Museeuw. Daar moeten we gewoon doorheen. En wat hoop geeft is de houding van de wielerfan. Die kijkt er toch doorheen. Denk ik. Hoop ik.”

    • Ward op den Brouw