Stoere, voetbalgekke meisjes

Computerproblemen zorgen ervoor dat het International Film Festival Rotterdam dit jaar moeizaam uit de startblokken komt, maar gelukkig zijn er genoeg mooie films. Het Iraanse ‘Offside’ bijvoorbeeld, over voetbalgekke meisjes in Teheran.

Bas Blokker

Soms komen de sponsors van het International Film Festival Rotterdam (IFFR) even nadrukkelijk in beeld. Dan zie je ze met een zwerm relaties neerstrijken in een zaal, zoals gisteravond ineens in De Doelen. Een systeem in hun aanwezigheid valt nog niet te ontdekken, maar je herkent ze meteen. Niet alleen aan hun jasjes en dasjes of aan het feit dat ze geen programmakrant lezen. Het is vooral hun manier van kijken voor de film begint, wat giechelig: wij zitten hier anders nooit, hoor. „Ik ga op de hoek zitten”, zei een van hen, „want dan kan ik ook zo weer weg.”

Gisteren waren ze dus in De Doelen, bij de première van de Iraanse film Offside. De regisseur is Jafar Panahi, bij een relatief klein Nederlands publiek bekend van The Circle (2000) en de heel mooie Crimson Gold (2003), allebei verboden in Iran. Met Offside heeft hij een film gemaakt die op weg lijkt naar een veel groter publiek, en die in Nederland dan ook over anderhalve maand door een grotere distributeur wordt uitgebracht dan zijn vorige films. Het gaat over meisjes die per se de laatste plaatsingswedstrijd van het Iraanse voetbalelftal willen zien, hoewel hun de toegang tot het stadion wordt verboden. Van de wedstrijd Iran-Bahrein krijgen we niets te zien, van een paar als stoere supporter uitgedoste meisjes des te meer. Zij worden tegen de buitenmuur van de hoogste stadionring gevangen gehouden door soldaten. De interactie tussen de voetbalgekke en goedgebekte meisjes uit Teheran en de serieuze sergeant van het platteland is perfect. Er zit in de film een prettig-kriebelend optimisme ondanks het onderwerp. Het Rotterdamse publiek was gisteren in elk geval opgewonden vrolijk en geen enkele sponsorrelatie liep voortijdig de zaal uit.

Het festival komt dit jaar een beetje moeizaam uit de startblokken. Computerproblemen hebben ervoor gezorgd dat de catalogus – de festivalgids voor wie meer wil weten dan titel, regisseur en eenregelige beschrijving – op de derde dag nog altijd niet gedrukt is en dat de dagelijkse krant steeds later verschijnt dan de bedoeling is. Maar dat valt allemaal in het niet bij een mooie film en daar zijn er gelukkig al een paar van langsgekomen, naast de hartveroverende Offside. In de Tigercompetitie, waarin vijftien debuten of tweede films strijden om drie Tiger Awards, werd gisteren Love Conquers All vertoond, het speelfilmdebuut van de Maleisische Tan Chui Mui (1978), mede gefinancierd door nu het in politieke nood verkerende Hubert Bals Fonds. De regisseur neemt ons mee naar het gezicht van de jonge vrouw Ah-peng.

Het meisje zit in een bus, op weg naar Kuala Lumpur, waar ze bij haar tante gaat wonen om haar te helpen in het restaurantje. Elke avond belt ze haar moeder en haar vriend (I love you, bye) maar steeds dringender wordt ze daarbij in het oog gehouden door een andere jonge man. Hoewel beeld en geluid lijden onder de feilen van de digitale camera, is de manier waarop Tan haar personages benadert zo mooi als film maar kan zijn. Ze neemt alle tijd om Ah-peng te observeren, juist op momenten dat die schijnbaar niets anders doet dan voor zich uit staren. Maar door de gebeurtenissen die voortvloeien uit haar verhouding met Johnnie, de nieuwe vriend, is dat kalme gezicht met de ronde ogen, ronde neus en ronde lippen een atlas van zinderende emoties. Een top-Tiger.

    • Bas Blokker