‘Servië wordt weer motor van de regio’ Arbeiderszelfbestuur is geprivatiseerd

Na jaren van sancties is de economie van Servië inefficiënt en verouderd. Maar het omslagpunt is in zicht. In Nieuw-Belgrado strijken buitenlandse investeerders neer.

Van de grote staatsbedrijven is nog maar 20 procent geprivatiseerd. In de categorie drustvena svojina gaat het sneller. Dat was in de tijd van Tito’s arbeiderszelfbestuur het ideologische bedrijfsmodel waarin arbeiders mede-eigenaar waren van hun fabriek, bakkerij of naaiatelier. De minister van Economische Zaken van Servië: 85 procent is nu geprivatiseerd. „In 2007 ben ik daarmee klaar.” Foto Tijn Sadée Sadée, Tijn

Een paar zwerfkatten klauteren vrolijk omhoog tegen een vijf meter hoge berg van kapotte computers, printers en monitors. Binnen staan de verroeste ijskasten en magnetrons opgestapeld. „Welkom in mijn wereld”, zegt Nebojsa Vranes, een jonge ondernemer uit de Servische hoofdstad Belgrado. In zijn loods, een gebouw waar vroeger laboratoriumonderzoek werd gedaan, begon hij onlangs met zijn bedrijf Zerowaste. „Ik betaal hier weinig huur en ik heb de ruimte”, zegt Vranes.

Al jaren kampt het gemeentebestuur van Belgrado met het probleem van het groeiende vuilnis, vooral het gevaarlijke elektronica- afval. Langs uitvalswegen gooien mensen hun opgebruikte tv’s en videoapparaten in de berm. Vranes bedacht een eenvoudig ondernemingsplan met als uitgangspunt: nutteloos afval bestaat niet. „Ik heb een deal gemaakt met de gemeente: zij halen het van de straat, en ik kom het bij ze ophalen. Zij blij, want ze hoeven het afval niet te verwerken. Dat doe ik voortaan.”

In zijn loods demonteert Vranes met zijn medewerkers de apparaten en sorteert alles wat bruikbaar is. Ringetjes. Schroefjes. Koperdraad. „Doet het heel goed op de markt”, zegt Vranes. Uit het omhulsel van een tien jaar oude printer snijdt hij driehoekvormige ijskrabbertjes voor de autovoorruit. Vranes: „In alles schuilt de potentie tot hergebruik.”

De aanpak van Vranes zou als blauwdruk kunnen dienen voor de wederopbouw van de Servische economie. Sinds de sloop van Joegoslavië, tijdens de oorlogen in de jaren negentig, zoekt het tot rompstaatje teruggebrachte Servië naar een manier om uit het puin weer op te staan, en om de blik eindelijk weer voorwaarts te richten. Geen geringe opgave, want de verpaupering van de eens zo machtige deelrepubliek in Tito’s socialistische federatie is groot. Onder het regime van wijlen Slobodan Milosevic werden de Serviërs zwaar getroffen door de internationale sancties. [Arbeiderszelfbestuur is geprivatiseerd ervolg SERVIË: pagina 10]

SERVIË

Arbeiderszelfbestuur is geprivatiseerd

Na Milosevic’ val, in 2000, werd weliswaar op papier begonnen met economische hervormingen, maar in de praktijk blijkt de macht van de politieke clans, die zich hebben verrijkt onder Milosevic, nog altijd groot. De clans profiteerden de afgelopen jaren van de privatisering van grote staatsbedrijven, terwijl de koopkracht van de meeste Serviërs (gemiddeld maandsalaris: 250 euro) fors terugliep.

Servië raakte in een internationaal isolement. De Europese Unie houdt Servië op afstand, zolang oorlogsmisdadiger Ratko Mladic – de beul van Srebrenica – niet is uitgeleverd aan het Joegoslaviëtribunaal. In 2006 splitste Montenegro, waarmee Servië nog een statenbond vormde, zich af. En nu dreigt volgens velen ook het verlies van Kosovo, de Servische provincie die sinds het einde van het etnische geweld tussen Serviërs en Albanezen (1999) onder voogdij staat van de VN (UNMIK) en vredesmacht KFOR. De Kosovo-Albanezen, in ruime meerderheid (90 procent) in de provincie, willen niets minder dan volledige onafhankelijkheid. Vandaag presenteert VN-gezant Martti Ahtisaari, belast met Kosovo, achter gesloten deuren een voorstel over de staatkundige toekomst van Kosovo, waarna pas in maart de VN-veiligheidsraad zich zal buigen over een definitieve oplossing.

Servië (8 miljoen inwoners) houdt vast aan Kosovo (2 miljoen), dat de Serviërs zien als de wieg van hun natie.

Met economische motieven heeft die claim weinig te maken, want van een economie in Kosovo is amper sprake. „Er wordt daar niets van waarde geproduceerd”, zegt Draguljub Micunovic, nestor en medeoprichter van de democratische partij DS. „Kosovo is voor de internationale gemeenschap een geldverslindend project, vandaar dat de VN nu haast maken met het zoeken naar een oplossing.”

De winst van DS en andere hervormingsgezinde partijen bij de parlementsverkiezingen van afgelopen weekend wordt door EU-gezanten bejubeld. Alom heerst de hoop dat het Balkanland de weg naar Europa definitief heeft ingeslagen.

Hetzelfde optimisme heerst al langer als het gaat om de Servische economie, die in 2006 ruim 6 procent groeide. In hetzelfde jaar bedroegen de directe buitenlandse investeringen 4 miljard euro. De ‘tijger op de Balkan’ wordt Servië door sommige economische analisten genoemd. Maar minister van Economische Zaken Predrag Bubalo vindt die kwalificatie niet representatief. „Een tijger verslindt in een oogwenk zijn prooi, terwijl Servië op de lange termijn een strategische partner wil zijn. Ik zie het liever zo: wij worden weer de motor in de regio.”

Bubalo was verantwoordelijk voor de succesvolle opsplitsing van het verouderde staatsbedrijf Zastava (auto’s en wapens) in een twintigtal verzelfstandigde onderdelen met levensvatbaarheid. Een klus, vergelijkbaar met het demontagewerk van afvalkoning Vranes, maar dan in het groot. Bubalo: „Mijn missie luidt: opvoering van het tempo van privatiseren.”

Van de grote staatsbedrijven is nog maar 20 procent geprivatiseerd. In de categorie bedrijven aangeduid met drustvena svojina gaat het sneller. De drustvena svojina was in de tijd van Tito’s arbeiderszelfbestuur het ideologische bedrijfsmodel waarin arbeiders, om ze nauwer bij de productie te betrekken, symbolisch mede-eigenaar waren van hun fabriek, bakkerij of naaiatelier. Bubalo: „Ruim 85 procent van die bedrijven is nu geprivatiseerd. In 2007 ben ik daarmee klaar.”

Wat de minister als een soepel proces omschrijft wordt in de Servische media vaak omschreven als een ruw spel waarin een kleine groep van eigenaren het op een akkoordje gooit met ambtenaren van het Privatiseringsagentschap. Een gezonde drustvena die op de markt 10 miljoen euro waard zou zijn wordt met opzet ‘uitgekleed’ en voor slechts de helft te koop aangeboden. De eigenaren ‘cashen’ zo sneller, en de meewerkende ambtenaar krijgt een deel van de opbrengst. In de Servische media wemelt het van de verhalen van teleurgestelde oud-werknemers van drustvena’s. Ze werkten er hun hele arbeidzame leven vol trots, en op een dag blijkt ‘hun’ bedrijf zogenaamd niets meer waard.

„Je moet in Servië als kleine ondernemer niet al te veel ambities hebben”, zegt afvalverwerker Nebojsa Vranes. „Als je te groot groeit kom je vanzelf in aanraking met de maffia.”

Langs de route richting zijn loods, aan de rand van Belgrado, hebben honderden Roma (zigeuners) onder een spoorbrug hun kamp opgeslagen. Ze bivakkeren er al jaren in houten hutjes en tenten, sinds ze in 1999 uit Kosovo werden verdreven.

Verderop, aan de oever van de rivier de Sava, staan hijskranen weg te roesten. Maar achter de vuilnishopen verrijst plots de glimmende gevel van de Sloveense hypermarkt Mercator, waar de nieuwe middenklasse in het weekend inkopen doet.

De doorsnee yup in Belgrado heeft een baan bij een van de buitenlandse bedrijven die de laatste jaren hun kantoren openden in Nieuw-Belgrado. Langs een brede, winderige boulevard staat tegenover het betonnen gebouw met geblindeerde ramen van de vroegere geheime dienst nu het hoofdkantoor van het Russische Lukoil. Met financiële steun van de Oost-Europabank EBRD in Londen wordt elders in de stadswijk gebouwd aan een reusachtig kantorencomplex.

De honger van de buitenlandse bedrijven voedt de Servische bluf, zegt ondernemer Vranes. „Slechts een kleine groep van jonge hoogopgeleiden profiteert ervan. Het zijn vooral Oostenrijkse en Franse banken die hier een onontgonnen markt voor leningen en verzekeringen aanboren. Maar werkelijk iets máken, iets bijdragen aan de wederopbouw van de productie en infrastructuur, dat doen zij niet.”

In de schemer sluit Vranes zijn loods af en draait de weg op, richting het centrum. Overal hebben eenmansbedrijfjes een schuur of garage omgedoopt tot kleine kiosk of drank- en tabakszaak. „Dat bepaalt voorlopig het beeld van de Servische economie”, zegt Vranes. „Kleine zwoegende ondernemers zoals ik. Maar als je het goed aanpakt is het economische avontuur groot, want er moet nog zoveel worden opgezet.”

Zelf rekent hij voor de komende jaren op flinke groei van zijn bedrijf. Vranes: „Nu heeft nog maar 15 procent van de Servische huishoudens een computer. Dat gaat explosief toenemen, en al die computers belanden een keer in de berm van de weg. Dan kom ik in beeld.”

    • Tijn Sadée