Roman of kluwen van losse eindjes?

Sommige hoofdstukken van ‘De helaasheid der dingen’ zijn pareltjes van korte verhalen. Maar de roman mist structuur.

Lees en discussieer mee op www.nrc.nl/leesclub

De helaasheid der dingen Dimitri Verhulst Asselman, Patrick

Het begint sterk, zoals een klassieke Russische roman. Er is een treurig decor. In een paar trefzekere zinnen wordt het neergezet: Reetveerdegem. Hier zal nimmer iets goeds voorvallen. En er zijn personages die niet meer verwachten dat er ooit iets goeds zal voorvallen. Het enige wat ontbreekt om de klassieke tragedie in gang te zetten, is een buitenstaander die de schijn van hoop vertegenwoordigt. Zij komt. Rosie is teruggekeerd. ‘Het is waar dat mijn tante Rosie een zeldzaam mooie vrouw was en dat het veel prestige opleverde met haar naar bed te zijn geweest.’ Zo begin je een boek. Dit zijn uitstekende openingszetten voor een meeslepend verhaal over de ondergang van Rosie, Reetveerdegem en hoop in het algemeen.

Maar de lezer komt bedrogen uit. Rosie maakt volgens alle regelen der kunst haar entree met trompetgeschal en engelenzang, maar is een paar pagina’s later geruisloos via de achterdeur afgevoerd. Na het eerste hoofdstuk komt ze niet meer voor in het verhaal.

Rosie illustreert voor mij de kracht en de zwakte van De helaasheid der dingen van Dimitri Verhulst. Deze auteur weet hoe hij een spanningsboog moet opzetten. Hij is bijzonder vaardig in zijn verteltechniek. Des te meer valt het te betreuren dat de roman structuur ontbeert. Wat wordt opgezet als een strak geregisseerde tragedie, blijkt te verwateren tot een episodische autobiografische schets. We krijgen een reeks min of meer afgeronde verhalen, chronologisch geordend. Eigenlijk blijkt het vooral de hoofdpersoon te zijn, die Dimitri Verhulst heet, die het verbindende element vormt tussen de hoofdstukken. Van een dwingende thematische samenhang is niet echt sprake. Rosie is niet het enige losse draadje. Het boek is een kluwen van losse eindjes.

Ik vind dat raar. Want Verhulst kan het wel. Sommige hoofdstukken zijn pareltjes van korte verhalen, met grommende kop en venijnige staart. Een van de hoogtepunten is het hoofdstuk over de Ronde van Frankrijk, waarin Potrel de moeder aller drinkspelen ontwerpt naar analogie van de epische wielerwedstrijd en zijn moeder denkt dat hij interesse voor de wielersport heeft opgevat en daar zo blij om is dat zij van haar schamele pensioentje een fonkelnieuwe racefiets voor hem koopt. Het is een ontroerend verhaal dat met ongelooflijk vaste hand wordt verteld. Waarom ontbreekt die vaste hand dan in de structuur van de roman als geheel?

Oké. Ik snap het wel. Dit boek wilde niet de roman zijn over de ondergang van Rosie, maar het boek over de helaasheid der dingen. De hoofdpersoon Dimitri vertelt over zijn vader en aan het eind van het boek is hij zelf vader. Zo gaan die dingen. In het voorlaatste hoofdstuk, waar Dimitri in de kantine van het bejaardenhuis afscheid neemt van zijn demente grootmoeder, wordt deze thematiek gekoppeld aan de titel van het boek: ‘In een cafetaria vol lekkende mensen, en jengelende kinderen die andere bezoekers hadden meegebracht, ter compensatie, of om er de nadruk op te leggen dat het leven van de oude doorgegeven was, als stokjes in een eeuwige estafette waar niemand de zin van kent maar waar men zich aan vastklampt in de grote helaasheid der dingen.’ Ja, ach. Daar kun je natuurlijk een boek over schrijven. Maar volgens mij wisten wij dat allemaal al wel.

En op deze manier wordt De helaasheid der dingen in laatste instantie weinig meer dan het zoveelste Portait of the Artist as a Young Man. De hoofdpersoon, die dichter en schrijver zal worden, ontworstelt zich aan zijn achterlijke familie. Maar van die worsteling krijgen we niets te zien. We worden slechts geconfronteerd met het resultaat. In het slothoofdstuk komt het opeens uit de lucht vallen dat de kunstenaar niet meer in zijn eigen dialect met zijn eigen nonkels kan praten. Vervreemding, ja, maar het proces daarnaartoe hebben we volledig overgeslagen. De dichter en schrijver die Dimitri opeens blijkt te zijn geworden heeft moeite om van zijn eigen zoon te houden. Heeft dat iets te maken met zijn eigen vader? Met zijn achtergrond? Met zijn zuipende nonkels? Verhulst roept deze vragen nauwelijks op.

De stilistische vermogens van Verhulst zijn veel geprezen. En het moet gezegd: hij kan beresterke zinnen schrijven. ‘De schaaltjes met rattenvergif werden dagelijks bijgevuld; meer dan wij de indruk hadden deze nesten ongedierte uit te moorden kregen wij het gevoel uitstekend voor deze beestjes te zorgen.’ Dat is goed. ‘Palmier had alles van een zeemeermin: ze was slank en stonk naar vis.’ Dat is sterk. Maar te vaak bezondigt Verhulst zich aan zelfgenoegzame interessantdoenerij: ‘Herinnering is de troostende stuiptrek van een leven, een hogere soort van nageboorte.’ Dat schrijft iemand die zichzelf een hele Nooteboom voelt door dit te schrijven. Verder neigt Verhulst bij voortduring naar de hyperbool. Hoeveelheden alcohol zijn niet gewoon groot, maar altijd onmiddellijk ‘onmenselijk.’ Geldnood is gelijk ‘tergend.’ De melk is niet zuur, maar ‘halvelings iets geworden wat zich nog het best met Oost-Duitse boter liet vergelijken.’ Een kort rokje is niet gewoon kort, maar ‘hemels kort.’

Helaas neigt mijn enthousiasme voor dit boek iets minder tot de hyperbool.