Poëtische pompstations

Het was gedichtendag gisteren, maar op de televisie hoefde je daar niets van te merken. Alleen op België 2 hadden ze 5 minuutjes ingeruimd om een presentator die voortdurend over zijn woorden struikelde, ‘van emotie’ zei hij zelf, de winnaar van de eerste Herman de Coninckprijs bekend te laten maken. Het was een gedicht van Joke van Leeuwen dat ze helaas niet zelf voorlas, dat deed ook die presentator. Nu ja enfin, het was beter dan niks. Wij hadden niks. Dacht ik. Tot ik de documentaire zag die de IKON uitzond in Holland Doc: Droomrijders. Een film geïnspireerd op het boek de De autonauten van de kosmosnelweg van Julio Cortazar. Eerst denk je: schrijven is beter. Geef ons woorden. Ook moet er enige weerspannigheid overwonnen worden – er is weinig vreselijkers dan snelwegen, benzinestations en autowasplaatsen, en als je niet in de auto zit wil je niet per se dat iemand op de televisie doet alsof je daar wél bent. Maar toch. De film van regisseur Boris Gerrets had de droomachtige kwaliteit van een leven buiten de werkelijkheid, in die andere wereld die de weg is, en daarover kreeg je iets te zien dat moeilijk is na te vertellen, net als een goed gedicht niet is na te vertellen. Er is klank in en metrum en beelden en die werken alleen maar in de oorspronkelijke vorm. Zo ook deze film.

Juist niet poëtisch en om die reden weer zo goed, – ja, ja, tegenstrijdigheid troef – zijn de natuurwaarnemingen van Bill Oddie in de Verenigde Staten. Twee keer per week is hij te zien op BBC2, Bill Oddie back in the USA, en dan zien we die merkwaardige kabouter in een auto door de VS rijden waar hij way back in the seventies met een aantal andere komedianten was om op te treden. Nu is hij er om naar de natuur te kijken. En je ziet meer dan bij andere natuurprogramma’s. Niet meer wilde dieren, en ook niet van dichter bij of bijzonderder vanuit een grasspriet of onder water gefilmd, nee. Juist niet. Je ziet de dieren gewoon zoals een normaal mens met een kijker ze kan zien. Er wordt niets bij verteld in de trant van: „Hinde Okra verkeert al vier dagen in barensnood” of „Het hele gezin van bever Willem sleept materialen naar de bouwplaats” of „De golf van Kwakwajoe vormt een dodelijk bedreiging voor jonge dieren. In deze killing fields loeren niets ontziende moordenaars.” Nee. Bill Oddie zit in de auto, roept ineens „Oh! Daar! Gauw!” en terwijl de camera hem op kleine beentjes ziet wegsnellen horen wij nog net: „Een vin! Ik zag een vin!” De achter hem aan galopperende cameraman is net op tijd om Oddie te zien ontdekken dat het geen haai maar een dolfijn is die door een baai zwemt. Ook fijn. Of hij banjert door een merengebied en ziet enorme slakkenhuizen liggen. „Zo groot als appels”, zegt hij. „Hoe zouden ze heten?” Hij kijkt ons olijk aan en wij die hem volgen prevelen al braaf: „Appelslakken?” en zo heten ze. Maar nu het vreemde. Die slakkenhuizen zijn leeg. De slakken worden dus gegeten en daar ziet Oddie de roofvogel die dat doet. Merkwaardig eigenlijk, zegt hij, zo’n grote roofvogel, geschikt om snel te duiken, krachtig te grijpen, met zijn bek te verscheuren, en wat eet hij? Slakken! Die rennen toch niet weg? Of zou er een tijd geweest zijn dat de slakken terugvochten?

Dat zijn observaties waar je wat aan hebt. Gisteravond een bultrugwalvis gezien, niet spectaculair en majestueus aan het trekken over de wereldzeeën, maar bezig ladingen kleine visjes zijn bek in te laten zwemmen. Oddie was mee met een deskundige en giechelend reconstrueerde hij de slimme strategie van het enorme dier. Nu snap ik het. Maar ik zeg niets. Mensen moeten zelf maar kijken. Dinsdags en donderdags.

Reageer op deze column via www.nrc.nl/ogen