Katja’s Dagboek

Katja is met Tjalling in de woestijn waar een oorlog woedt tussen badeenden en Furbies. Haar vriend Sebastiaan is nog steeds niet bevrijd uit de klauwen van de onbekende kidnapper. Haar kleren zijn vies en ze is gebeten, in haar kuit.

Klifhanger 23 Katja's dagboek illustratie Daan Remmerts de Vries Remmerts de Vries, Daan

Het leek me tijd om eens op te stappen. Mijn been deed pijn. En zoals die Furbies zich hier gedroegen, zo deden de mijne thuis nou nooit. Zelfs niet als ik ze tussen de deur klemde om te kijken of ze daar stuk van gingen. Overal in het rond lagen stukgeknauwde badeenden. Een paar Furbies liepen er grauwend en spugend omheen. Hier en daar was nog een gevecht gaande. Ertussen door renden twee paniekerige stukken worm: Paliseter, de vriendelijke gek uit de zon, was doormidden gebeten! Hij krijste uit allebei zijn stukken.

Ik vond Tjalling achter een cactus. „Zullen we gaan?” vroeg ik. „Het is hier wel klaar, geloof ik. Is dat generaal MacDonald niet?” Aan de arm van een cactus bungelde een flard badeend.

Tjalling knikte met toegeknepen ogen. En toen deed hij iets onverwachts. Met een zwaai trok hij zijn riem uit zijn broek. Hij maakte er een lasso van en wierp dat om een van de voorbij snellende stukken worm. Hij gordde de riem om het vet roze lijf en hees zichzelf erbovenop. „Vooruit, Katja”, zei hij. „Neem jij die andere!”

Even later had ook ik een stuk worm te pakken, kronkelend in mijn riem. Gatver. Die roze slijmerij, moest ik daar op gaan zitten? In mijn rokje? „In godsnaam Katja waar wacht je nog op?” brulde Tjalling die in snelle cirkels om me heen hopste.

En daar zat ik. En daar gingen we. In woeste galop verlieten we het strijdtoneel. Ik wist niet dat wormen zo hard konden lopen, of wat was het, glijden. De Furbies deden geen poging om ons in te halen. Door mijn tot kiertjes geknepen ogen, brandend van de zon en het zand, zag ik Tjalling voor me uit rijden.

Eindeloos leek de rit te duren. Maar ineens zag ik in de verte iets hangen, zomaar middenin de lucht, op de horizon. Het was wit en rechthoekig, en er stond iets op. Letters. Een bord. ‘Sale’, las ik, eenmaal dichterbij gekomen. ‘Alles moet weg’. Alles moet weg? En daar bótsten we, keihard. Eerst Tjalling en toen ik. Ik viel met een klap van de worm af. Tjalling krabbelde als eerste overeind. Hij keek peinzend voor zich uit en begon de lucht te aaien.

„Wat doé je nou weer?” zei ik.

„Voel dan zelf”, zei hij. „Er zit hier een onzichtbare muur. Dit is, denk ik, het einde.”

Ik stak mijn hand uit. Glas. Toen ik omlaag keek zág ik het ook. We stonden, zomaar middenin de woestijn, voor een enorme etalageruit die dwars door de hele woestijn liep. We konden niet meer verder… „Hé amigos, wij gaan”, zeiden de stukken worm ineens. „Wij gaan op zoek. Naar onszelf, of zo. Denken we. Goedemiddag!” Voor we het wisten groeven ze zich in. Voor onze voeten zaten nu twee kogelronde gaten in het zand.

    • Judith Eiselin
    • Daan Remmerts de Vries