Is het een makkelijke plant?

De musical ‘Doe maar!’ met hits van de groep gaat niet over de populaire popgroep. Wel over de zitzak en andere thema’s uit de jaren tachtig. „Het is een anarchistisch, bijeengeraapt zootje.”

Henny Vrienten foto Leo van Velzen 02/07/1982. Optreden van Doe Maar, plaats onbekend. Foto Leo van Velzen NrcHb Velzen, Leo van

‘Ga zitten want ik wil ’s met je praten...”, zingt de huissloof, en de zaal ontploft van enthousiasme. In de musical Doe Maar! brengt actrice Annick Boer het lied Is dit alles. Ze speelt een emanciperende huisvrouw die haar man plotseling ziet vertrekken naar een andere vrouw: „Ah-ah-ah-ah-ah, is dat alles? Oehoehoehoe. Is dit alles, wat er is? Eja eja.”

Tijdens een van de try-outs in Rotterdam vorige week zit de zaal vol vrouwen van rond de veertig die waarschijnlijk een kwart eeuw geleden Doe-Maar-fan waren. Toen waren ze pubers, nu leven ze mee met de ouders op het podium. Vooral de huisvrouw, gespeeld door Annick Boer, krijgt veel bijval. Vreemd genoeg moet de zaal onbedaarlijk lachen om de voorgeschreven Henny-Vrienten-kreetjes die Annick Boer zingt. Daarmee geeft zij de tekst een extra sneer mee: „We leven trouw het leven van zovelen. WOOHOO! Ik wil iets meer ik wil een beetje... los.”

Meer musicals van eigen bodem, was het verzoek van deze krant een maand geleden. En zie, we worden op onze wenken bediend met de home grown nedermusical Doe Maar! die zondag in Tilburg in première gaat. Doe Maar was de populairste band die Nederland ooit gekend heeft. De band bezweek in 1983 voortijdig onder de zo ongeveer hysterische aanbidding door tienduizenden minderjarige meisjes. Bij de reeks reünieconcerten in 2000 bleek de Nederlandstalige popgroep nog niets van zijn gouden glans verloren te hebben.

De nieuwe musical gaat niet over Doe Maar. Naar het recept van de Abba-musical Mamma Mia! hebben producenten Albert Verlinde en Roel Vente een nieuw verhaal laten maken rondom de hits van Doe Maar. Net als bij Mamma Mia! is één van de verlokkingen van de musical dat al die liedjes toch wonderwel goed in het nieuwe verhaal passen. Schrijver Pieter van de Waterbeemd: „We hebben vooraf wel intensief overlegd met Doe-Maar-leiders Henny Vrienten en Ernst Jansz. Ze vonden dat het verhaal in de geest van Doe Maar moest zijn.”

Regisseur Jos Thie: „Ze zeiden dat Doe Maar stond voor: heb het lef om je eigen keuzes te maken, en daar vervolgens de consequenties van te dragen. ‘Doe maar’ klinkt misschien nonchalant, maar zij bedoelden het uitdagend: dóe maar. Je mag een joint roken, je mag je lul achterna lopen... Ga je gang, maar wel voor eigen rekening.”

Van de Waterbeemd: „Luister naar je innerlijke stem, vertrouw op je hart, je hersens, je humor.”

De schrijver bedacht

een verhaal rond drie families: een burgerlijk gezinnetje, een ban-de-bom-moeder die meer aandacht heeft voor de kruisraketten dan voor haar dochter, en een gezin waar een oudere jongere van 32 jaar op zijn broertje past, omdat moeder dood is en vader weggelopen. Het gaat ook over generatieconflicten, met als typische jaren-tachtigwending dat de kinderen de egoïstische, afwezige hippieouders ter verantwoording roepen. Ook de zitzak heeft een prominente plaats in het stuk.

Van de Waterbeemd: „Het speelt zich af op het merkwaardige breukvak tussen de jaren zeventig en tachtig, toen Doe Maar populair was. Het geloof in een betere wereld maakte plaats voor het doemdenken, de broekriem van Lubbers. Maar het activisme uit het decennium daarvoor bleef nog een tijdje hangen. Het werk van Doe Maar bevat enerzijds directe protestliedjes als De Bom, Doe maar net alsof en Lajeninaja. En anderzijds persoonlijke liedjes over het menselijke tekort, als Radeloos en Vergeet me (‘ik ben een lul en altijd al geweest’). Dat type liedjes zegt: ik ben niet volmaakt, ik doe mijn best, maar het slaat nergens op. Die twee lijnen lopen door het verhaal heen.”

Om muzikaal gezien ook in de geest van Doe Maar te blijven, is Jakob Klaasse aangesteld als muzikaal leider. De producer/ componist heeft vroeger zelf met de groep gespeeld: „Ik ben hier de Doe-Maar-politie, ik bewaak de Doe-Maar-sound.” Wat is de essentie van die sound? Klaasse: „Diepe bas, droge drums, scherp slaggitaartje, en heel veel koortjes. Reggae zou ik het niet noemen. Henny Vrienten hield weliswaar van trage, donkere dub reggae, maar de sound werd ook bepaald door Ernst Jansz’ liefde voor Britse ska: snel, fris en leeg, met de melodieuze baslijn en de after beat naar voren gemixt. Kenmerkend aan Vrientens basspel is dat hij alle noten even hard en urgent pushte. Ieder woordje dat hij zong kreeg ook dezelfde intensiteit mee, alsof zijn leven er vanaf hing.” Klaasse noemt het componistenduo de Lennon en McCartney van de Nederlandse popmuziek: „Twee zeer verschillende karakters die harmonieus samenkomen én botsen. Die spanning geeft de meerwaarde aan hun samenwerking.”

Waarom is Doe Maar nog steeds zo mateloos populair? Jos Thie: „Net als Annie M.G. Schmidt en Van Kooten en De Bie is Doe Maar zo typisch Nederlands dat je het niet aan buitenlanders kunt uitleggen. De liedjes klinken licht en eenvoudig, maar het zijn geen gemakkelijke liedjes. Ze zijn pretentieloos, ze zijn populair, zonder een knieval te maken. Ook de vrije, eigenwijze maar tobberige geest is typisch Nederlands. En de humor is heel belangrijk. Geen Doe-Maar-liedje vertelt een eenduidig verhaal, er zit altijd meer onder, en er zit altijd een laag ironie overheen. Vooral de koortjes geven steeds ironisch commentaar.”

Zoals bijvoorbeeld in De laatste X: „Maar wat deed dat pijn (woediediewoepwoep). Omdat je vrij wou zijn (woediediewoepwoep)”

Van de Waterbeemd: „Typisch Nederlands is: met ironie naar jezelf kijken. Precies zien hoe het zou moeten, en weten dat je dat niet haalt. Altijd bezig zijn met ethiek, hoe goed te doen, maar godverdomme, daar ga je weer.”

Deze lijn zit vooral in de rollen van de vader en de zoon, gespeeld door Jan Rot en Daniël Boissevain. De vader, die eruit ziet als een hippie-variant op Vitalis uit Alleen op de Wereld, is achttien jaar lang op wereldreis geweest en komt nu thuis. De zoon is op zijn 32ste nog altijd niet aan het volwassenenleven toe. Hij is zojuist ontslagen als vakkenvuller en loopt vooral zijn lul achterna („owee, owee”).

Voor de spelers en bedenkers is het de truc om het verhaal zo soepel mogelijk in de bestaande liedjes over te laten gaan, en ze een rol te geven in de handeling. Hierbij helpt dat de hits van Doe Maar overbekend zijn. Eén inleidende zinsnede of één gitaarakkoord is al genoeg om de zaal in gejoel te laten uitbarsten. In de voorstelling komt bijvoorbeeld de burgerlijke vader (Jan Elbertse) op bezoek bij de ban-de-bommoeder (Lenette van Dongen). Hij bekijkt haar interieur en zegt: „Leuke planten. Wat zijn het voor planten?”

„De cannabis sativa hollandica”, antwoordt Van Dongen. Gejuich in de zaal: de fans weten dat het lied Nederwiet eraan komt.

„Is het een makkelijke plant?” vraagt Elbertse. Nog meer gejuich in de zaal. Niet alleen is het een verwijzing naar Nederwiet, maar ook nog naar dat ándere lied over een plant: over de ‘fuk-fuk-fuchsia’ van Annie Schmidt. Terwijl een lome reggaebeat met een overbekend basloopje inzet, begint Van Dongen omstandig uit te leggen hoe je nederwiet kweekt: „De bláádjes. Daar krijg je hoofdpijn van.”

Jos Thie: „Nederwiedewiedewiet... het zou me niet verbazen als Nederwiet over enkele decennia dé klassieker van Doe Maar blijkt te zijn. Iedere nieuwe generatie jongeren die aan hasj en wiet begint, kent dat lied. Nederlandser kun je ze ook niet krijgen, met die uitdagende, speelse beschrijving van een enigszins illegale activiteit. En dan ook nog die verwijzing naar de even typisch Nederlandse fuchsia.”

De cast is niet gekneed

uit doorsnee musicalsterren, maar bevat zeer uiteenlopende artiesten die je niet snel in een musical verwacht: film en tv-acteur Daniël Boissevain, kinder-tv-presentatrice Kim-Lian van der Meij, popzanger en Bachvertaler Jan Rot en cabaretière Lenette van Dongen.

Jos Thie: „We streven niet naar een gelikte, gestroomlijnde musical. Het is een anarchistisch, bijeengeraapt zootje. Dat kost extra tijd en moeite, maar levert wel een meerwaarde op: een lossere, meer persoonlijke aanpak van de spelers.”

Tijdens de repetities ’s middags moet Jan Rot, als de papa, van de bank naar de bar lopen om een zak met snacks te pakken. De lange zanger slentert naar de hoek, hoofd gebogen, bult tussen de schouders.

„Kan dat niet wat vitaler, Jan”, roept Jos Thie vanuit de zaal. „Zo zitten de muzikanten op je te wachten.”

Tussen repetitie en try out in de kantine grijnst Thie: „Jan moet altijd even gewekt worden in de loop van de middag.”

Jan Rot, vanaf de stretcher in zijn kleedkamertje: „Begin jaren tachtig zat ik in allerlei bandjes – ik had zelfs een hitje met Counting Sheep – dus ik ken Doe Maar wel uit het buurthuizencircuit. Ze hebben één van mijn bandjes zelfs nog vereeuwigd in een lied. In Doris Day zingen ze: ‘Ik ken een hele leuk tentje, daar speelt een prima bandje. Ratata’. Dat was mijn band: Ratata. Overigens waren we al uit elkaar toen Doris Day een hit werd. In 1983 heb ik nog in Muziekkrant Oor geschreven dat hun vierde elpee, 4-Us, de Sgt. Pepper’s van de nederpop was. Ik ben ook wel eens naar Vrienten gegaan voor advies. Ik had een lied mee dat ik zelf volmaakt vond. Maar toen ik weer buiten stond, dacht ik: als het waar is wat Vrienten vertelt, klopt er niets van alle nummers die ik tot nu toe geschreven heb.”

Schrijver Van de Waterbeemd: „Het eerste beeld dat ik had, was een zoon die aan het sterfbed van zijn vader het liedje Pa zingt. Dat heeft ook met mijn eigen, overleden vader te maken. Pa gaat over het generatieconflict. De zoon tracht aan de autoritaire vader uit te leggen waarom hij het allemaal anders aanpakt: ‘Ik doe de dingen die ik doe met m’n ogen dicht.’ De zoon in dat lied weet sowieso dat de vader niet werkelijk naar hem luistert, hij zingt het voor zichzelf. Het leek me extra tragisch als die vader dan al dood is, en de woorden echt niet meer aankomen. Tegelijkertijd is het hoopvol bedoeld: de vader gaat dood, maar het gesprek gaat verder. Pa leeft verder in hen die van hem hielden.”

Zo eindigt de vrolijke musical met een sterfgeval. Enigszins ongebruikelijk in het komische genre, maar het kan de uitgelaten sfeer in de zaal niet drukken. Jan Rot komt op in ziekenhuishemd en met infuus. Hij zingt Nachtzuster, gaat in een rolstoel zitten, verzamelt de cast om zich heen, en sterft. Boissevain zingt: „Maar luister nou toch, pa./ Het is nog niet te laat./ Want leven kun je leren.”

Even later fietst papa Jan Rot in engelenhemd zingend door de Hemel: „Want wat ook een ander zegt/ Er is tijd genoeg/ Voor jou voor mij, voor iedereen.”

Première op zondag in Tilburg. Tournee t/m 17 juni. Inl. 0900-40003000 of www.theaterhits.nl