Ik wandel naar binnen

De hoofdpersoon van Adriaan van Dis’ nieuwe roman ‘De Wandelaar’, ontfermt zich over een hond. Die leert hem het verborgen Parijs kennen, de stad van zwervers, illegalen, werklozen en vluchtelingen. „De segregatie neemt toe maar het gehamer op aanpassing werkt averechts.”

Achter in de Saint-Sulpice in Parijs knielt een zwarte man. Zijn handen heeft hij plat op grond gezet, zijn hoofd gebogen. „Kijk eens wat een devotie”, fluistert Adriaan van Dis. „Straks schuifelt hij nog op zijn knieën helemaal naar het altaar.” Maar dat doet de man niet. Even later zit hij nog altijd geknield in de kerk, nu met zijn armen gespreid en zijn blik naar boven gericht.

Bijna vijf jaar woont Van Dis (60) nu in Parijs. Dagelijks wandelt hij door de stad, net als meneer Mulder, de hoofdfiguur in zijn nieuwe roman De Wandelaar. „Meneer Mulder is een afsplitsing van mijzelf”, zegt hij in zijn appartement in het zesde arrondissement.

Meneer Mulders vaste wandeling voert hem langs een kerk, een fontein, het park, de Bouwschool en het standbeeld van de maarschalk. Een hond waarover hij zich heeft ontfermd, breekt zijn routine en leert hem een ander, verborgen Parijs kennen. De hond, afkomstig uit een afgebrand pension vol illegalen en vluchtelingen, leidt hem onder meer naar loodsen waar slachtoffers van de brand liggen opgebaard.

„Aan de rand van de oude stad bevindt zich een schimmenrijk aan binnenplaatsen en verlaten industriële gebouwen”, vertelt Van Dis. „Hier vind je de illegalen en de daklozen. Officieel schat men het aantal illegalen in Parijs op 100.000, maar het zijn er vermoedelijk veel meer. Niemand weet het precies, maar het staat vast dat ze niet tegen te houden zijn. Ze komen omdat ze denken het hier beter te zullen hebben. Het oude Europa kraakt in zijn voegen. Het is het gevolg van de globalisering. In ruil voor grondstoffen overspoelt China Afrika nu met goedkope producten die zelfs de sweat shops daar doen verdwijnen. De werkloosheid is er massaal.”

Tijdens zijn wandelingen met de hond leert Mulder niet alleen buurtbewoners en zwervers kennen, maar ook de illegalen van het schaduw-Parijs. Door de hond maakt hij kennis met père Bruno, de priester van de kerk waarvan Mulder altijd de klokken hoort. Met père Bruno voert hij gesprekken over geloof, moraal en de zin van het leven.

Van Dis maakt twee à drie wandelingen per dag door Parijs. „Eerst wilde ik de ambassadeur van het fietsen worden. Maar bussen, stoplichten en straten met eenrichtingsverkeer maken fietsen in Parijs lastig. Wandelen heeft veel voordelen. Je ziet meer van de stad en je ontmoet mensen. Wandelen leidt ook tot reflectie, de wandeling buiten wordt een wandeling binnen.”

De laatste dagelijkse wandeling

maakt Van Dis ’s avonds laat, voor het slapengaan. „De avondwandeling is een soort rite en kent een vaste route”, legt Van Dis uit. „De zwervers die ik tegen kom, groet ik niet alleen, maar ik maak vaak ook een praatje met ze. Af en toe geef ik ze ook iets.”

De hond brengt Mulder ook naar de banlieue, de Parijse wijken buiten de ringweg. Maar de verre banlieue behoort niet tot Van Dis’ dagelijkse wandelbestemmingen. „De banlieue is verwaarloosd, maar de bouwmeesters dragen ook verantwoordelijk voor de treurige staat”, legt Van Dis uit. „De flats zijn ontworpen met de verbeelding van een cipier. 9-3, de flat waar Mulder naar toe gaat, is gebaseerd op de Bar Balzac, een steenreep.

„Alles is er rechthoekig, de ramen zijn klein, er zijn geen balkons. In de Bar Balzac wonen 2000 gezinnen in kooien voor minvermogenden. De liften doen het niet, de gaanderijen zijn kapot, de bewoners gooien de vuilnis uit het raam. De flats worden omgeven door vlaktes waar altijd tochtwinden waaien. Ongetwijfeld zijn de banlieue-flats in de jaren zestig en zeventig gebouwd met de beste bedoelingen. Maar onbegrijpelijk vind ik dat ze een economische afschrijvingstijd van twintig jaar hebben gekregen. Als je iets bouwt, moet je dat voor de eeuwigheid doen en met zorg en aandacht.”

De meeste gebouwen, beelden en fonteinen in De Wandelaar bevinden zich in het centrum van Parijs. Of beter gezegd: ze zijn gebaseerd op gebouwen in de buurt van Van Dis’ woning. „Mulder woont in een imaginair Parijs”, vertelt Van Dis. „De kerk heeft bijvoorbeeld geen naam en bestaat uit onderdelen van verschillende kerken. In De Wandelaar schets ik een toekomstig gloomy Parijs, met aanslagen op een politicus en rellen in de stad.’’

Maar erg ver van het huidige Parijs staat de stad van De Wandelaar niet. „Nu merk je op vrijdagmiddag en zaterdag ook al dat het ongenoegen uit de banlieue het centrum binnenstroomt”, zegt Van Dis. „Dan komen de jongeren uit de voorsteden hier metropassagiers treiteren en lastig vallen. Dat is iets ongehoords in Parijs. Tot voor kort was Parijs de veiligste stad ter wereld, met overal politie op straat.’’

Ook verschillende gebouwen en

plekken uit De Wandelaar lijken op bestaande. Zo doet het park van Mulders wandeling sterk denken aan de Jardin du Luxembourg. „De Jardin is een privépark”, legt Van Dis uit als we langs de hoge hekken rondom het park lopen. „Het is eigendom van de Senaat en alleen tussen zonsopgang en zonsondergang geopend. Bezoekers moeten zich aan allerlei regels houden. Je mag bijvoorbeeld niet op het gras zitten. In de Jardin heerst vrijheid in gebondenheid. In de jaren zeventig liepen we daar tegen te hoop, maar hier werkt het.”

Ook de Bouwschool, het gebouw met kogelgaten waar Mulder vaak langs wandelt, heeft een duidelijke inspiratiebron: de École des Mines aan de Boulevard Saint-Michel. In het schoolgebouw zitten kogelgaten. Een bord vermeldt dat ze het gevolg zijn van het Duitse bombardement van Parijs op 20 januari 1918 en de gevechten bij de bevrijding van Parijs op 25 augustus 1944. „Mulder vreest het verval, maar hij koestert de kogelgaten in de Bouwschool”, zegt Van Dis terwijl hij het gehavende gebouw streelt. „Frankrijk onderhoudt zijn kogelgaten met veel zorg. Bij de recente restauratie van het Odeon bijvoorbeeld heeft men de gaten laten zitten.”

Niet ver van de École des Mines staat het standbeeld van maarschalk Michel Ney (1769-1815). Op het voetstuk staan de tientallen veldslagen die Ney heeft gevoerd, eerst voor het revolutionaire Frankrijk en later voor het keizerrijk. Mulder heeft ze allemaal uit zijn hoofd geleerd, ook de belegering en inname van Maastricht in 1794. „Een sudoku van de geschiedenis”, noemt Van Dis Mulders geheugengymnastiek.

In de zuidwesthoek van de Jardin du Luxembourg laat Van Dis een tuin met tientallen vreemd gevormde appel- en perenbomen zien. „Van elke soort appel en peer staat hier één boom”, vertelt hij. „Nieuwe appel- en perenrassen worden vaak vernoemd naar politici. Nederland kent nu het Jan Siebelink-viooltje, maar in Frankrijk kun je het als politicus tot perenboom schoppen. Kijk, deze ziet eruit als een opengeslagen boek. Dit zegt iets over dit land. Zoals men bomen in een bepaalde vorm dwingt, zo wil men ook mensen vormen. Maar de mens gaat zijn eigen weg.”

De Saint-Sulpice benaderen we

vanuit de rue Servandoni, genoemd naar een van de acht architecten die aan de kerk hebben gebouwd. „Dit vind ik de mooiste kant van de Saint-Sulpice”, zegt Van Dis terwijl hij op de zijkant van de kerk wijst waar een woning is aangebouwd. „Ik houd van het geplooide zink van de daken en van de koepel met het sterretje. Hier staan ook de beelden waarvan Mulder ’s

In de torens van deze kerk zijn ateliers van kunstenaars, vertelt hij. In De Wandelaar laat père Bruno een Afrikaanse illegaal in een torenkamer wonen. „De katholieke kerk speelt in Frankrijk een belangrijke rol in de illegalenkwestie. Verschillende kerken verlenen bijvoorbeeld onderdak aan illegalen in hongerstaking.’’

Bijna in de schaduw van de Saint-Sulpice bevindt zich een van de soupes populaires van het zesde arrondissement. Tientallen armen en daklozen staan er te wachten op de maaltijd die ze hier om twaalf uur ’s middags kunnen krijgen. „Het zesde arrondissement is een steenrijke buurt”, zegt Van Dis. „Maar toch maken hier zo’n 300 mannen en vrouwen gebruik van de verschillende soupes populaires in deze wijk. Als ze hun voedsel krijgen, eten ze het op in een hoekje, als schichtige dieren.”

Het hele centrum van Parijs kent een welvarende, witte bevolking, gaat Van Dis verder. „Maar het wordt onderhouden door landverhuizers. Ik word ’s ochtends gewekt door de Afrikaanse stemmen van de straatvegers, Senegalezen van 2 meter 10. ’s Avonds gaan ze weer terug naar de banlieue.

„De segregatie neemt in Parijs steeds verder toe. Ik zeg wel eens tegen Franse vrienden dat Parijs me nu herinnert aan het Johannesburg van de jaren zeventig. Dat vinden ze niet leuk. Een deel van de landverhuizers zal nooit vertrekken. In Nederland kun je zien dat het gehamer van Verdonk en Wilders op aanpassing van allochtonen de integratie niet bevordert. Hun eis tot aanpassing zorgt ervoor dat zelfs ik de neiging krijg om in een burka te gaan lopen.”

Bij de Saint-Séverin, een gotische

kerk in het vijfde arrondissement, merkt Van Dis op dat kerken met hun luchtbogen en steunberen als grote spinnen in de stad staan. Binnen wijst hij achter in de kerk op een zuil van gedraaide stenen kabels die uitzwermen over het gewelf. „Deze zuil staat bekend als ‘de palmboom’,” zegt hij. „Hoe hebben ze toch gedaan, denk ik altijd weer als ik dit zie. Hier zou je toch bijna gelovig van worden.”

Van de Saint-Séverin is het te ver om naar Belleville in het tiende arrondissement te wandelen. Maar vanuit het metrostation République is het Canal Saint-Martin niet ver. Op de oevers staan honderden koepeltentjes. Ze zijn neergezet door Les Enfants de Don Quichotte, een organisatie die tegen de dakloosheid strijdt. „Hier is het probleem van de daklozen nu het zichtbaarst in Parijs”, zegt Van Dis terwijl we naar een Japanse cameraploeg kijken. „Het is een mediagebeurtenis geworden waar iedereen gebruik van maakt. Filmsterren slapen er een nacht en president Chirac heeft al geroepen dat hij wettelijk wil vastleggen dat iedere Fransman recht heeft op een dak boven zijn hoofd. Dat is natuurlijk geen oplossing, zeker niet voor het Europese probleem van de illegalen. Wat er wel moet gebeuren, weet ik ook niet. Hoedt u voor schrijvers met antwoorden!”

Later zitten we in een kapel van de Saint-Roche, een neoclassicistische kerk in het eerste arrondissement. We kijken naar een verbeelding van de heilige geest: uit een hoog glas-in-lood-raam met een goddelijke driehoek lijken wollige, blauw-grijze wolken met engeltjes naar beneden te komen. „Het is nu grijs weer”, fluistert Van Dis. „Maar bij mooi weer valt het zonlicht door het raam naar binnen. Stel je voor dat je een ongeletterde negentiende-eeuwer bent en je ziet dit, dan word je toch gelovig? Mulder wil ook graag geloven, maar hij kan het niet. Na zijn gesprekken met père Bruno en zijn tocht langs Parijse kerken komt hij tot een eenvoudig humanisme: je moet goed doen in je naaste omgeving. Meer zit er niet in. Maar dat is al moeilijk genoeg.”

Als we ten slotte over de binnenplaats van het Louvre lopen, zegt Van Dis: „Kijk toch eens. Hier zie je weer een bewijs dat Parijs echt de mooiste stad ter wereld is. Als ik over de wandelbrug over de Seine loop, zou ik kunnen juichen en springen dat ik elke dag door deze stad kan wandelen. Dan ben ik gelukkig. Voor een paar seconden.”

‘De Wandelaar’ is verschenen bij Uitgeverij Augustus, 224 blz., € 17,90

    • Bernard Hulsman