Ik bedenk personages, geen plot

‘Who’s Afraid of Virginia Woolf?’ maakte Edward Albee in 1962 op slag beroemd. Een nieuwe versie gaat morgen in Nederland in première. Zijn andere evergreen ‘In wankel evenwicht’ wordt nu ook gespeeld. Op bezoek bij de 78-jarige toneelschrijver in Washington op. „Ik wil personages voor een probleem plaatsen.”

foto Christopher Felver/Corbis Author and Playwright Edward Albee --- Image by © Christopher Felver/CORBIS © Christopher Felver/CORBIS

In de ogen van de Amerikaanse toneelschrijver Edward Albee verschijnt een flits. „Ja, ik ben de jongen die aan het slot van Who’s Afraid of Virginia Woolf? het telegram brengt met de boodschap dat hun zoontje is gestorven.”

Albee (1928) zit in een hotelsuite in Washington. ’s Avonds speelt in het Kennedy Center for the Performing Arts zijn beroemdste stuk met Kathleen Turner als Martha en Bill Irwin als George.

„Als jongeman verdiende ik mijn geld met allerlei baantjes”, zegt hij. „Een daarvan was het rondbrengen van telegrammen van Western Union. Dat was in Westside New York. Ik doorkruiste de straten te voet. Ik heb daar het belangrijkste geleerd dat een toneelschrijver zich kan wensen: mensen observeren in schokkende momenten van verdriet. Ik bracht vooral de death notices rond. Bijna iedereen maakte het telegram open waar ik bij stond. Dan was ik getuige van een uitroep als: ‘Our son is dead.’

„De crux van Virginia Woolf is dat Martha en George helemaal geen zoon hebben, maar ze hebben met elkaar afgesproken dat ze in hun verbeelding wel een zoon bezitten.”

Er is nauwelijks een gezelschap in de wereld dat ‘Who’s Afraid of Virginia Woolf?’ niet op het repertoire neemt. Hoe ervaart u dat?

„Ik ben altijd beducht voor verregaande interpretaties van regisseurs die denken dat zij belangrijker zijn dan de schrijver. Als iemand Virginia Woolf in het zestiende-eeuwse Engeland wil situeren, dan zou ik dat bijvoorbeeld niet goedkeuren. Het stuk hoort in de jaren vijftig thuis en speelt in een universiteitsstad in New England. Ik ben beschermd door copyright.”

U wilde vanaf uw vroegste jeugd schrijver zijn. Wat bracht u naar de toneelkunst?

„Ik ontdekte op mijn veertiende dat ik een slecht dichter was en een nog slechter romanschrijver. Toen besloot ik te kiezen voor het toneel. Theater is de enige literaire vorm die het visuele combineert met het auditieve. Voorwaarde is wel dat de voorstelling een getrouw beeld biedt van de intenties van de schrijver: ik wil terugvinden wat ik in gedachten heb. Een toneelstuk schrijven is een poging tot communicatie.”

Kortgeleden ging in Nederland uw stuk ‘In wankel evenwicht’ in première. Een echtpaar dringt het huis van een bevriend stel binnen. Ze eisen de slaapkamer op. In uw stuk blijft de deur gesloten. Nu brengt de regisseur dit tweetal in de slaapkamer in beeld.

„Vertel eens, wat ziet de toeschouwer?”

Albee kijkt verwachtingsvol en gespannen. De rollen zijn even omgedraaid. Ik vertel wat ik bij Theatergroep Carver in de regie van Mirjam Koen heb gezien: Harry en Edna zijn in het blauwzwart gekleed. Ze voeren een stil spel op in de slaapkamer en dekken hun bed met een donkere deken.

Langzaam glijdt er een schaduw over Albee’s gezicht.

Na een korte stilte zegt hij: „Dat klinkt als symboliek. Ik ben bang dat de regisseur zichzelf te veel als een onafhankelijk kunstenaar heeft gezien, en dat is een regisseur uiteindelijk niet. In geen van de vele versies van In wankel evenwicht die ik ken, komt zo’n ingreep voor.

„Mijn methode van werken is eenvoudig: ik zie een toneelstuk voor me, ik schrijf op wat ik hoor en zie. Ik luister naar Martha als ze ruziet met George, ik zie Harry en Edna achter de de deur van die geheimzinnige slaapkamer verdwijnen. Dan gaat die deur op slot. In theatraal opzicht is dat spannend. De toeschouwer vraagt zich af wat er achter gebeurt. Dat raadsel moet een raadsel blijven: geef het geheim van een toneelstuk niet prijs.”

Is de plot van een toneelstuk belangrijk voor u?

„Nee, ik bedenk nooit plots. Ik bedenk personages en vervolgens ga ik na in welke problemen zij verwikkeld raken. In mijn vroegste jeugd zag ik mijn eerste toneelstukken. Ik vond het fascinerend. Het was net het werkelijke leven, maar dan uitvergroot. Ik houd ervan personages telkens weer, scène na scène, voor een probleem te plaatsen. Bijvoorbeeld het doodstelegram in Virginia Woolf of het binnendringende echtpaar uit In wankel evenwicht. De slaapkamer die zij betrekken behoort toe aan de dochter, Julia. Dan komt de vraag: hoe reageert zij daarop? Met woede, haat? Of berust ze in het noodlot? Zo werkt een tragedie.”

U bent het ‘gelukkige weeskind’ genoemd. Klopt dat?

„Kort na mijn geboorte meldde mijn moeder me aan bij een instituut voor adoptie in Manhattan. Ik was nog geen twee weken oud. Het enige dat ik weet is dat mijn werkelijke moeder Louise Harvey heet en dat ik op 12 maart 1928 in Washington DC ter wereld kwam. In de papieren staat dat mijn vader ‘wegliep en zowel moeder als kind alleen achterliet’ en dat hij ‘op geen enkele manier bijdroeg aan de opvoeding’ van de baby. Ik zal nooit weten wie mijn biologische ouders zijn. Ik zou het willen, want ik heb tal van vreemde trekken.

„En ‘gelukkig’ zei u...? Ach, ik ben welgesteld opgegroeid, ik kreeg uitmuntend onderwijs, we hadden een vakantiehuis aan zee, ik reed paard, ik ging naar theater, las boeken. Mijn eerste toneelstukken, zoals Het verhaal van de dierentuin (The Zoo Story) en Virginia Woolf, hadden al snel overweldigend succes. Maar gelukkig? Nee. Mijn ouders waren kil. Mijn vader was gevoelsarm. Kijkt u maar eens naar de echtparen in mijn toneelstukken, dan weet u voldoende. Ik heb een goed geheugen, niet voor namen en jaartallen, wel voor visuele indrukken, gesprekken die ik ooit heb opgevangen, ruzies.”

Uw achternaam is Albee. Heeft u overwogen uw moeders naam aan te nemen? Dan zou u als Edward Harvey door het leven kunnen gaan.

„Dit heeft nog nooit iemand me zo direct gevraagd.” Albee zwijgt even. „Maar u mag die vraag stellen, want mijn biografie behoort tot het open domein. Mijn pleegouders heetten Albee en ze noemden mij eigenlijk Edward Albee III, want ik werd vernoemd naar grootvader Albee I die aan het hoofd stond van een keten van vaudeville-theaters. Na de dood van mijn tweede moeder in 1989 kreeg ik de adoptiepapieren onder ogen. Pas sinds dat ogenblik weet ik dat zij Harvey heette. De naam Edward had ik toen al; die is door haar gekozen. Ik heb contact gezocht met het adoptiebureau, maar dat geeft niets prijs. Ik kon mijn naam niet meer veranderen.

„Ik moet toegeven dat ik mijn leven lang heb gehoopt dat een vrouw naar me toe zou komen met de woorden: ‘Ik ben je echte moeder.’ Dat is nooit gebeurd. Vroeger kon ik wel huilen als ik hoorde van kinderen en hun werkelijke ouders, nu niet meer. En nog altijd is er het raadsel of mijn moeder wel Harvey heette. Zij kan die naam best hebben verzonnen.”

U bent zelf regisseur en u bemoeit zich verregaand met de opvoering van uw toneelstukken. Hoe is dat gegaan met de verfilming van ‘Virginia Woolf’ met Elisabeth Taylor en Richard Burton?

„Na afloop zeiden ze dat ze een leuke tijd hadden gehad. Meer niet. Just a good time.”

Ze stelden geen vragen over hun rollen?

„Nee, en dat is beter ook. Speel wat er staat, maak het niet te symbolisch en zeker niet te psychologisch. Er staan woorden in de tekst die iedereen kan begrijpen. Er wordt veel te veel onzin beweerd over mijn stukken. Ik werd eerst een ‘absurdist’ genoemd omdat The Zoo Story een keer in een avond werd gespeeld met Krapp’s laatste band van Samuel Beckett. Ik vond dat aanvankelijk een belediging. Mijn toneelwerk gaat over reële mensen met bestaande angsten. Daar is helemaal niets absurdistisch aan. Wie dat zegt, haalt de angel van de werkelijkheid uit mijn theater.”

In Washington speelt nu een Broadway-versie van ‘Virginia Woolf’, met Kathleen Turner en Bill Irwin. U bent ooit in het anarchistisch theatercircuit van ‘off-off-Broadway’ begonnen en pleitte voor kleine theaters die niet door het kapitaal worden geregeerd. En nu Broadway.

„De grootste bedreiging voor het theater is de macht van het geld. Musicals trekken een groot publiek, maar de kwaliteit is vaak hopeloos. Kassucces en diepgang gaan niet altijd samen. Ik vind dat dilemma onverdraaglijk. Turner en Irwin zijn beiden voor hun rol bekroond. Ze zijn kostbaar. Als schrijver wil je de beste acteurs voor je stuk. In het Kennedy Center is plaats voor bijna duizend mensen. Het is telkens uitverkocht. Maar ik vind de zaal te groot. Who’s Afraid of Virginia Woolf? is een intiem toneelstuk voor niet meer dan twee- of driehonderd toeschouwers. Elke toeschouwer moet kunnen denken: dit stuk wordt alleen voor mij gespeeld, ik ben getuige van een gepantserd gevecht over liefde en dood tussen vier mensen, dat ik eigenlijk niet mag zien. Zo verging het mij tijdens het schrijven: wat ik zag en hoorde, wilde ik liever niet zien en horen. Toch overkwam het me.”

Om kwart voor acht ’s avonds stroomt de zaal vol. Albee staat achterin bij de licht- en geluidstafel. Een tengere verschijning in onopvallende kleding die hem te ruim valt. De gordijnen schuiven open. Het decor is van een realisme dat ik in Nederland nooit heb gezien: overvolle boekenkasten, donkerbruin meubilair, een erker met kamerplanten, flessen vol toneelwhisky in een serveerboy.

Dan komen Turner en Irwin op en vergeet ik meteen dat stoffige decor. „What a dump!” roept Turner en de voorstelling krijgt de kracht van een om zich heen grijpend vuur. Zij: een tijgerin die gromt en klauwt en ook tederheid zoekt. Hij: een nerveuze man die een gemeen spel met het ingebeelde dode kind gaat spelen.

Na afloop zegt Albee: „Het was een nauwgezette uitvoering. Vol humor, slechtheid en spanning. Het is een thrill.”

‘Wie is er bang voor Virginia Woolf?’ door Hummelinck Stuurman Theaterbureau. Première: 27/1 Leidse Schouwburg. Tournee t/m 19/5. Inl.: www.hummelinckstuurman.nl’Wankel evenwicht’ door Theatergroep Carver in samenwerking met Onafhankelijk Toneel. Tournee t/m 7/4. Inl.: www.theatergroepcarver.nl