Het hondje van Haile Selassie

De Poolse schrijver en journalist Ryszard Kapuscinski, dinsdag overleden, was een zenuwachtige man, voor wie je automatisch wilde zorgen. Een pionier op het terrein van de literaire non-fictie, met een grote liefde voor schijnbaar betekenisloze details. Nederlandse reisschrijvers spreken over een gids, leermeester en vriend. „Hij zag een beeld en schiep daar dan de werkelijkheid omheen.”

Een processie van Ethiopische christenen in Lalibela, Ethiopië Michael Lewis/National Geographic/Getty Images Lalibela, Ethiopia. Brightly colored umbrellas and robes liven an Epiphany procession. (Photo by Michael Lewis/National Geographic/Getty Images) National Geographic/Getty Images

Het werk van Ryszard Kapuscinski wordt in Nederland uitgegeven door De Arbeiderspers. Alleen de titels ‘Ebbenhout’, ‘Lapidarium’ en ‘Reizen met Herodotos’ zijn nog leverbaar.

Frank Westerman

„Ik kwam in Amsterdam om journalist te worden, rond 1988. Ik las alles van hem waar ik maar de hand op kon leggen. DoorNog een dag, over Angola, liet ik me eerst meeslepen; hoe Kapuscinski zich tijdens de burgeroorlog buiten Luanda waagt, in de laadbak van een vrachtwagen, een helletocht. De tweede keer heb ik die tekst helemaal ontleed. Hoe doet hij het? Wat is de magie? Die schuilt in zijn oog voor detail. Maar dat is natuurlijk een cliché, het gaat erom wat je ermee doet. Kapuscinski heeft het over twee strijdende partijen in Angola; wie het zijn herinner ik me niet meer. Ik weet nog wel hoe hij ze beschreef. De ene partij begroet elkaar met irmão, Portugees voor broeder, de andere gebruikt het woord camarada. Vervolgens wijdt hij daarover uit en doet hij je beseffen hoe iets futiels als het gebruik van de juiste begroeting in een postkoloniale oorlog je dood kan betekenen.

Hij haalt als het ware parels uit het stof en bekijkt ze zorgvuldig, terwijl op de achtergrond de oorlog woedt. Nog een voorbeeld is de wegversperring, in Afrika niet bijzonder omdat je het dagelijks tegenkomt. Maar hij wijdt juist een paar pagina’s aan die wegversperring. Dat er een buffetkast schuin over de weg is gezet, of dat er twee tonnen staan met een kettinkje ertussen, waar je ogenschijnlijk zo voorbij komt, totdat je die jongens met die kalasjnikovs aanspreekt met irmão, terwijl het camarada moet zijn, of andersom.

Wat is ervoor nodig om iets zo te zien? Dat je een stap terug doet, afstand neemt. Ogenschijnlijk ongedwongen, innemend en vaderlijk, neemt hij je bij de hand. Maar het eigenlijke werk is achter het bureau gebeurd. Daar vindt de verdichting plaats. Hij beschrijft bijvoorbeeld hoe de kisten op straat staan in Luanda als de rijke families daar vertrekken, hoe er dan een nieuwe stad van kisten ontstaat. Hoe op een dag de kisten op een schip worden geladen, en hoe die stad van kisten in zijn geheel wegvaart, schommelend op de golven. Natuurlijk gingen die kisten niet op één dag allemaal tegelijk de haven uit, en stond er niet voor ieder huis eentje. Maar in essentie is dit het beeld dat de uittocht van westerlingen uit Angola beschrijft.

Als je gaat schrijven, maak je een reis dus nog een keer, maar dan met afstand. Ik had twee jaar op de Balkan rondgereisd, alles was me er dierbaar, ik was zeer betrokken. Het woord ‘Afstand’ stond op een geel memobriefje op mijn computerscherm toen ik Het zwartste scenario schreef. Eigenlijk had eronder moeten staan: ‘Met dank aan Ryszard Kapuscinski’.”

Frank Westerman is schrijver van onder meer ‘Ingenieurs van de ziel’ en ‘El Negro en ik’. Volgende week verschijnt ‘Ararat’

Tommy Wieringa

„Ik was net weer zijn verhaal Het gat in Onitsha aan het herlezen, uit Ebbenhout. Daarin is Kapuscinski op zoek naar de grootste markt van Afrika, maar de truck waarin hij zit komt opeens tot staan in een opstopping. Er blijkt een groot gat in de weg te zitten. Vervolgens beschrijft hij wat zich afspeelt rondom dat gat, hoe daar een hele tijdelijke economie ontstaat. Goed kijken en opschrijven wat je ziet. Zo simpel is het, al is die eenvoud misschien wel bedrieglijk. Ontvankelijkheid is bijvoorbeeld heel belangrijk, of je gevoelig bent voor de subtiliteiten en de geschakeerdheid van je omgeving.

Heel bijzonder vind ik zijn oog voor economie. Hij beschrijft steeds, bijna ongemerkt, de invloed van de markt op de cultuur en het ontwikkelingspeil van een land. En ‘markt’ bedoel ik dan heel breed; van de kleurenrijkdom van Afrikaanse lokale markten, tot de abstractie van de wereldhandel.

Het is zeker waar dat Kapuscinski’s blik gekleurd werd door zijn achtergrond; ook letterlijk, want ik denk dat hij, komend uit een grauw land als het communistische Polen, verliefd is geworden op de spetterende kleurenrijkdom van Afrika.

Ik ben zeer door hem beïnvloed. Kapuscinski beweert iets liefst drie keer en die drieslag gebruik ik ook, die is zeer effectief. In het Onitsha-verhaal beschrijft hij bijvoorbeeld de kleren van de vrouwen op de markt, de modeshow is ‘discreet, spontaan, geimproviseerd.’ Het belangrijkste is dat Kapuscinski niets te gering, te onbelangrijk vindt om over te schrijven, ook zaken waar je aanvankelijke dédain voor had. Zo heeft hij mijn honger naar de wereld vergroot. Kapuscinski heeft een groot oor en een groot hart. Rilke zegt ergens: ‘Voor de scheppende geest bestaat er geen armoede en geen armoedig, onverschillig oord’, en Kapuscinski’s hele oeuvre is van de juistheid van die uitspraak het bewijs.”

Tommy Wieringa is schrijver van (onder meer) reisverhalen die gebundeld zijn in ‘Ik was nooit in Isfahaan’

Cees Nooteboom

„Ik kan helaas niet zeggen dat ik een groot kenner van zijn werk ben, maar wat ik gelezen heb bewonder ik zeer. Kapuscinski kwam uit een deel van de wereld dat nog niet vrij was toen hij het verliet, en dat heeft zijn blik bepaald. Dit, en het feit dat hij geen geld had, maakt iemand vindingrijk. Hij heeft veel over dictators geschreven en via die omweg schreef hij eigenlijk over het systeem waar hij uit voortkwam. Je kunt dat vooral goed zien aan De Keizer, zijn boek over Haile Selassie. Zijn laatste boek, over Herodotus, ligt op mijn verlangstapeltje. Ik verheug me er op.

Hij was een authentieke man, ik denk niet dat hij zich op zijn reizen anders voordeed dan hij was. Hoogstens deed hij misschien aan mimicri, maar niet zo dat hij de boel oplichtte. Iedereen die reist doet tot op zekere hoogte aan mimicri, je past je aan aan wie je voor je hebt. Het gaat er om of je genegen bent je tempo te veranderen. Dat is voor iemand uit een communistisch land in de jaren zeventig misschien makkelijker dan voor een hedendaagse westerling. Een Pool in Afrika ziet er anders uit dan een Amerikaan in Afrika.

Wat mij het meest zal bijblijven van Kapuscinski’s werk, is zijn helderziendheid. En ik bedoel dat heel letterlijk. Kapuscinski heeft een heldere blik op wat er werkelijk aan de hand is onder de oppervlakte van politiek en alledaags gewoel. In het westen wordt hij alleen al daarom hogelijk geapprecieerd, maar of dit in Afrika ook zo is, weet ik niet. Het zou interessant zijn om te weten wat iemand als Kofi Annan bijvoorbeeld van hem vindt.

Kapuscinski’s werk verschilt zeer van dat van mij, alleen al omdat we totaal andere persoonlijkheden zijn. Het is fantastisch dat zijn onbevangenheid nooit is omgeslagen in cynisme. Ik heb ook wel eens geprobeerd wat hij deed, voor Bitter Bolivia, Maanland Mali probeerde ik eindeloos gesprekjes te voeren. Ik vond het heel zwaar, almaar te moeten antichambreren, en maar afwachten of er iets van komt, of mensen je toelaten. Ik ben er snel vanaf gestapt, omdat ik andere dingen belangrijker vond. Maar Kapuscinski was er een meester in. ’’

Cees Nooteboom schreef naast romans en verhalen zeventien reisboeken, waarvan ‘Een avond in Isfahan’ , ‘De omweg naar Santiago’ en ‘Berlijnse Notities’ de bekendste zijn.

Lieve Joris

„Ik kan niet over Kapuscinski’s werk praten zonder over hemzelf te praten, want ik kende hem goed. Hij heeft me vaak geholpen. Toen ik naar Egypte ging, bracht hij me in contact met Naguib Mahfouz. Toen ik naar Hongarije ging voor György Konrád, zei hij: ‘Je weet toch wel dat Peter Nadás Hongarijes grootste literaire schrijver is?’ Hij had er plezier in de volgende generatie op weg te helpen. ‘Non-fiction literAture’ was het genre dat het ging maken volgens hem. Hij sprak het Engels nooit helemaal goed uit. ‘Op een dag gaat de Nobelprijs naar ons genre, dat van de non-fiction LiterAture.’ Niemand was een betere kandidaat dan hij.

Ik leerde hem kennen in 1984, toen hij zijn boekDe Keizer kwam voorstellen in Nederland. Ik bereidde toen zelf mijn eerste reis naar Afrika voor en was hoogst geïnteresseerd. Hij zei dat hij me op een dag Polen zou laten zien. In ’87 stuurde hij me inderdaad een briefje. ‘September is een mooie maand. Waarom kom je niet eens langs?’

We reisden samen door Polen. Solidarnosc was nog ondergronds. Daar begreep ik ook dat al zijn boeken eigenlijk over Polen gaan. Het Poolse publiek begreep dat ook. Tijdens de stakingen in Gdansk zag ik veel mensen met De Shah aller sjahs onder de arm.

Zijn dood is voor Polen een groot verlies. In de toch soms hoog oplaaiende Oost-Europese hysterie was hij een man met een gematigde visie, een man die meer tot de wereld behoorde dan tot Polen. Omgekeerd is Polen belangrijk geweest voor hem, voor zijn stijl. ‘Polen dwingt mij tot eenvoud’, heeft hij wel eens gezegd. Want Polen wisten niks over Afrika. Hij móest dus wel in allegorieën schrijven.

Wie in Nederland of België geboren is en door Zuid-Amerika of Afrika reist, moet alles nog leren. Maar hij kende de meeste dingen al: politieke machteloosheid, corruptie, machtsmisbruik, gebrek aan democratie. Het belangrijkste was misschien nog wel dat hij armoede heeft gekend. In zijn jeugd, in Pinsk, moest hij met zijn vader, een onderwijzer, langs de deuren om pannen uit te blutsen voor geld. Hij heeft aardappelschillen moeten eten. Dat maakt veel uit als je over armoede schrijft.

Kapuscinski is te vroeg gestorven. Hij was nog lang niet uitgeschreven. Het boek over Idi Amin, het slot van wat een trilogie zou worden over Haile Selassie en de shah van Iran, heeft hij niet geschreven omdat hij gedesillusioneerd terugkwam van een reis naar Oeganda. De Oegandezen bleken Amins opvolger, Obote, véél erger te vinden dan Amin. Amins wandaden raakten eerder vergeten dan zijn statuur. Vooral jongeren beschouwden Amin als een held. Dat bracht hem in verwarring.

Van Kapuscinski heb ik geleerd dat je moet durven schrijven over kleine dingen. Hij ontdekte dat zelf toen hij over Selassie wilde schrijven. Het moest een verhaal van de lange adem worden, maar het kwam maar niet. En toen zag hij het hondje voor zich, het hondje van Selassie dat over de schoenen van de dignitarissen plaste, en toen kwam de rest vanzelf. Hij heeft het mooist geschreven over de dingen die zonder betekenis lijken, over het wachten bijvoorbeeld, en de lamlendigheid die de reiziger in Afrika kan overvallen als er niets gebeurt. Hij ging daarin overigens best ver. Ik heb weleens gedacht: hij ziet een beeld en schept daar dan de werkelijkheid omheen.

Het was een ietwat gejaagde, een beetje zenuwachtige man. Hoe kan zo iemand nu reizen, dacht ik eerst, maar later realiseerde ik me dat dat misschien juist wel zijn geheim was bij het ontmoeten en observeren van anderen. Je ging automatisch voor hem zorgen.”

Lieve Joris is schrijfster van onder meer ‘Het uur van de Rebellen’ en ‘Dans van de luipaard’ (over Congo), ‘Mali Blues’ en ‘De poorten van Damascus’.

Jan Donkers

„Kapuscinski typeer je misschien het best met een uitspraak van Hans Magnus Enzensberger: ‘Een dichter die zich als verslaggever vermomd heeft.’ Van hem en van Graham Greene heb ik geleerd om illusieloos naar de wereld te kijken. Wie uit het rijke, beschermde westen komt heeft toch onbewust de veronderstelling dat de wereld rechtvaardig in elkaar zit. Je opereert vanuit het idee dat de wereld is verdeeld in goed en kwaad, en dat je met je reportages de goeden een duwtje in de rug geeft. Greene en Kapuscinski laten afdoende zien wat een onzinnig uitgangspunt dat is. Zij kijken illusieloos, maar wel mild.

Mijn indruk is dat Kapuscinski in de loop der tijd steeds meer is gaan houden van wat Naipaul noemt, ‘travelling on a theme’. Het gaat bij hem niet om het reizen zelf, om het beschrijven van waar je slaapt en met wie je praat en welke trein je neemt. Hij onderzoekt politiek-maatschappelijk onderwerpen: corruptie, tirannie, de kloof tussen armoede en rijkdom. Zijn thema is hetzelfde als bij grote romanciers; grote historische gebeurtenissen, bezien vanaf de grond, vanuit het alledaagse leven.

En niemand zat zo dicht bij de grond als Kapuscinski, zeker in de jaren zestig, zeventig niet. Hij reisde rond voor het Poolse persbureau PAP, vrijwel zonder geld, hij leefde zoals de Afrikanen. Hij deed dat min of meer uit noodzaak, maar je moet niet onderschatten hoe belangrijk zoiets is. Zeker voor radioreportages, waarbij je iets op de band moet krijgen, en niet, zoals bij schrijven, eventueel iets kunt jatten of verzinnen. Wie, zich zoals veel Amerikanen, met een crew van acht man en een enorme hoeveelheid apparatuur in een land neerstrijkt, kan zich de moeite besparen; je sluit je compleet af. Kapuscinski opereerde onopvallend, en dat heeft die briljante reportages opgeleverd.

Wat ik nooit helemaal geleerd heb, en wat hij bij uitstek bezat, is geduld. Bij radio past misschien ook geen geduld, maar voor schrijven is het belangrijk. Begin jaren negentig, toen ik voor de VPRO in Ethiopië was, heb ik een pathetische poging gedaan hem te imiteren. Zoals Kapuscinski met Selassie’s hofhouding, zo wilde ik met de mannen van Mengistu gaan praten, die heel handig allemaal bij elkaar zaten opgesloten op een universiteitscampus. Ik heb me al die mannen laten voorleiden, maar ik begreep onmiddellijk dat ik in twee dagen nooit zover kon doordringen als Kapuscinski. Tijd is belangrijk. Tijd en heel veel geduld.”

Jan Donkers is schrijver van onder meer ‘Tussen contra’s en bananen’ en ‘De Tweede Amerikaanse eeuw’, maakt buitenlandreportages voor de VPRO-radio en schreef veel over Kapuscinski voor deze krant.
    • Maartje Somers