Het Amsterdam aller tijden

Na de Franse tijd moest het eens zo aanzienlijke Amsterdam opnieuw beginnen. Historici boekstaven hoe de stad in de 19de-eeuwse vaart der volkeren werd opgestoten.

Remieg Aerts en Piet de Rooy (red.): Geschiedenis van Amsterdam. Hoofdstad in aanbouw, 1813-1900. SUN, 636 blz. €44,50

Dirk Wolthekker (red.): Een keten van macht. Amsterdam en zijn burgemeesters vanaf 1850. Balans, 302 blz. € 17,50

Marielle Hageman e.a.(red.): Amsterdam, 366 dagen. Thoth/Stadsarchief Amsterdam, ongepagineerd. € 29,90

Het tweede deel van de nieuwe Geschiedenis van Amsterdam omvatte een zó lang en zo gebeurtenisrijk tijdperk (1578-1650) dat er twee banden nodig waren om alles te herbergen. Band 2, waarin het Amsterdam van de Gouden en de 18de eeuw nog werd gekarakteriseerd als een ‘zelfbewuste stadstaat’, eindigde in 1813 met de intocht van aanstaand koning Willem I over de Haarlemmerdijk. De eerste regels van het derde deel, dat tot 1900 reikt, sluiten daar naadloos bij aan:

‘Aan het begin van de 19de eeuw dacht Amsterdam misschien nog het centrum van de wereld te zijn, maar internationaal was de status van de stad nogal gedaald. […] Het prestige van de oude Republiek had Amsterdam voldoende gewicht verleend om door Napoleon tot “derde hoofdstad” te worden verheven. Maar het was de vraag of die eretitel na diens val gehandhaafd zou kunnen blijven.’

Nee natuurlijk. Van welk keizerrijk onder welke keizer had Amsterdam na Waterloo in ’s hemelsnaam nog ‘de derde hoofdstad’ kunnen (of willen) heten? Maar afgezien daarvan. De stad had haar reële, 17de-eeuwse machtspositie allang verspeeld, en in het geweld van ‘de Franse tijd’ was zelfs de herinnering aan het oude prestige verbleekt, zo niet verdwenen. Er moest van voren af aan worden begonnen.

Dat is ook het grote thema van deel III van de ‘Geschiedenis’ waarin de 19de eeuw aan de orde is. Hoofdstad in aanbouw werd als toepasselijke ondertitel gekozen. In dubbel opzicht moest er ‘aangebouwd’ worden: om de status van grote of liefst grootste wereldmarkt te heroveren, en om eindelijk het wettige predicaat hoofdstad te verdienen.

In de geschiedenis van de Verenigde Nederlanden had de stad op dat laatste punt door lauwheid, lafheid of verkeerd uitgevallen berekening haar ‘rechten’ verloren. In 1572 collaboreerde ze liever met de Spanjaarden dan zich bij de Opstand aan te sluiten en de Geuzenvlag te hijsen. Toen ze zes jaar later in een definitief ‘bevrijd’ gewest Holland alsnog eieren voor haar geld koos was ze te laat om nog aanspraak te kunnen maken op hoofdstedelijke prerogatieven. De eerste vrije statenvergadering was inmiddels in Dordrecht gehouden. In Utrecht werd kort daarna zoiets als een republikeinse grondwet overeengekomen. De eerste Oranjebegrafenis vond plaats in Delft. En Den Haag werd de zetel van de republikeinse regering. Amsterdam viste achter het net – Amsterdam zou heel lang nooit meer worden dan op z’n mooist een ‘symbolische’ hoofdstad.

Hoofdstad in aanbouw is net als de eerder verschenen delen niet alleen een volumineus, maar vooral ook een prachtig gemaakt boek: een sieraad voor het oude typografenambacht. De haast weelderig te noemen hoeveelheid illustraties – van foto’s, prenten en vignetten tot kaarten en bestektekeningen aan toe – is des te waardevoller, omdat ze zijn voorzien van heldere, rijke bijschriften die op een autonome manier hun ‘eigen’ verhaal vertellen. De afzonderlijke inzetjes die – consequent op een zwarte achtergrond – subonderwerpen aansnijden als de haven, de school, de arbeid en (werkelijk oogstrelend:) ‘de gefotografeerde stad’ vormen een derde of vierde informatielaag van een boek dat toch al tot de nok is gevuld met memorabele wetenswaardigheden.

Werkvloer

Is Hoofdstad in aanbouw met nog groter geestdrift en empathie gemaakt en geschreven dan de vorige Amsterdam-delen, waarin het toch ook al niet aan gemotiveerd auteurschap ontbrak? Er is in zoverre verschil in aanpak geweest dat de historici Aerts en De Rooy hun eindredactionele taak niet als afwachtende opzichters hebben vervuld, maar dat ze als gretige arbeiders regelrecht zélf de werkvloer op zijn gegaan. Afgezien van de bijlagen, de invoegsels en misschien ook de honderden bijschriften (maar die laatste zouden ze ook nog wel eens zelf geschreven kunnen hebben), namen ze alle hoofdstukken voor eigen rekening: vijf voor Remieg Aerts, drie voor Piet de Rooy, met de aantekening dat de vijf ongeveer dezelfde omvang hebben als de drie.

De auteurs hebben de eeuw als het ware doormidden geknipt. Aerts heeft de eerste vijf à zes decennia gedaan, De Rooy de rest. Misschien hebben ze er om gedobbeld, maar de zestig jaar van Aerts betekenden in een aantal opzichten natuurlijk een ondankbaarder karwei dan de resterende veertig van De Rooy. ‘Het begin van een nieuw elan’, heet Aerts’ laatste paragraaf. Hij kon nog net aankondigen dat zich omstreeks 1860 ‘de eerste tekenen van een kentering’ voordeden, die een eind maakten aan de betrekkelijke lethargie uit de eerste decennia – alvorens de pen aan Piet de Rooy te moeten doorgeven, die in veel opzichten de vruchten kon plukken van het degelijke voorwerk van zijn co-auteur.

Vernieuwers, handen-uit-de-mouwen-stekers, creatieve ondernemers, moderne hygiënisten en artsen (Samuel Sarphati, Jan Pieter Heije) en dragers van allerlei particuliere initiatieven die Amsterdam na 1860 haast nog hoger in de vaart der volkeren opstootten dan Lodewijk van Deyssel pas in 1885 zou wensen, komen allemaal voorbij in de tweede helft van Hoofdstad in aanbouw. En zonder iets af te doen aan het vakmanschap en de betrouwbaarheid van Remieg Aerts – de beschrijving van het enthousiaste stadspatriottisme van na 1860 is in méér dan goede handen bij de behendige stilist en veelzijdige observator die Piet de Rooy telkens opnieuw blijkt te zijn.

‘Tweede gouden eeuw’

Het is fascinerend aan de hand van zijn voorbeelden te volgen hoe het Amsterdam van de 19de eeuw – ‘langzaam, maar over een breed front’, heeft Aerts dan al vastgesteld – ten slotte in beweging komt: politiek, sociaal, religieus (mooi, hoe Kuypers ‘kleine luyden’, en Domela’s ‘verworpenen der aarde’ als leden van twee ‘godsdiensten’ naast en tegenover elkaar worden gezet) en vooral cultureel. Nieuwe sociale en politieke verhoudingen, een nieuwe plaats voor kunst en literatuur, een nieuwe generatie bèta-geleerden – de ‘tweede gouden eeuw’ lijkt in aantocht.

Eén ontwikkeling blijft in het boek een beetje onderbelicht. Noem het de kwestie van nation building – de misschien niet bewuste, maar wel degelijk ‘aangestuurde’ pogingen om een volksgevoel te kweken dat het Franse verleden, en eigenlijk ook het verleden van de hopeloos verdeelde federale Republiek moest doen vergeten.

Het is moeilijk te zeggen of dat alleen maar een landelijke, of deels ook een Amsterdamse aangelegenheid is geweest. Een maandblad als De Gids (waar Aerts als schrijver van het mooie Letterheren alles van weet) is maar één voorbeeld van het dwingende verlangen om van het oude Nederland een volwassen staat te maken. De grote aandacht voor een ‘vaderlandse’ geschiedenis, met nogal exorbitante herdenkingen van 300 jaar Heiligerlee en 300 jaar Den Briel, was een tweede.

De historici, Fruin voorop, zaten toen natuurlijk vooral in Leiden – maar Potgieter vergaderde met zijn Gids-makkers altijd in zijn (nog steeds bestaande) huis aan de Amsterdamse Leliegracht. Heeft Amsterdam überhaupt een eigen rol gespeeld in het 19de-eeuwse proces waarin Nederland – zeker na de scheiding met België – als Oranje-koninkrijk op zoek moest naar een nationale identiteit? Het blijft bij Aerts en De Rooy wat in het vage.

Hoofdstad in aanbouw maakt melding van een aantal burgemeesters die Amsterdam in de 19de eeuw hebben gediend. Op Gijsbert van Tienhoven na, die tussen 1880 en 1891 de ambtsketen droeg, lijken de meesten niet een erg grote, laat staan invloedrijke of initiërende rol te hebben gespeeld in het stadsleven. Ze passeren. De auteurs komen zelden in de verleiding om even bij ze stil te staan.

Wat dat betreft zou Een keten van macht een welkome aanvulling op de grote Amsterdamse geschiedenis hebben kunnen zijn. Onder redactie van Dirk Wolthekker zijn korte portretten verzameld van 21 Amsterdamse burgemeesters sinds 1851. Dat jaartal is op goede gronden gekozen. In 1851 werd immers Thorbeckes befaamde Gemeentewet van kracht, die de positie van het stedelijk college van bestuur fundamenteel veranderde door de introductie van een democratisch gekozen en in het openbaar functionerende gemeenteraad.

Mooi idee natuurlijk om anderhalve eeuw stedelijke machtsuitoefening in een galerij te verzamelen. Maar jammer genoeg zijn de schetsjes haast zonder uitzondering aan de oppervlakkige, fletse en wat gemeenplaatserige kant – voor markante typeringen van mens en samenleving blijven Aerts en De Rooy in ieder geval als het om de 19de eeuw gaat absoluut onvervangbaar.

En nu we het toch over het Amsterdam aller tijden hadden: bij het Stadsarchief verscheen een in stevig oblong verpakt soort bureaukalender onder de titel Amsterdam 366 dagen. Voor schrikkeljaren biedt de uitgave dus elke dag een tekening, een prent, een kaart of een foto. Veel eigentijdse foto’s, ook nog een paar 19de-eeuwse, maar hoe dan ook een vrolijke en bonte collectie waarin, compleet met korte teksttoelichtingen, zo veel mogelijk facetten van Amsterdam zichtbaar worden. Aardig. Maar ook dit iets te zware relatiegeschenk haalt nergens het soortelijk gewicht van het schitterende deel III van de Geschiedenis van Amsterdam.