Geen hulp bij zelfmoord

Zelfmoord is nooit goed. Vandaar dat de rechtsprekende autoriteiten streng waken over de wettelijke grenzen aan het bieden van hulp bij zelfmoord. Die grenzen moeten scherp worden getrokken, of het nu gaat om nonchalant voorschrijfgedrag aan zelfdoders door artsen, of om rechtstreekse bijstand bij de daad. Over beide soorten gevallen waren deze week uitspraken.

Het Medisch Tuchtcollege schorste een basisarts van dokteronline voor een jaar. Hij had zonder behandelrelatie of inzage in de dossiers via internet het grotendeels verouderde slaapmiddel Depronal voorgeschreven en verkocht. Het middel heeft een sterke werking en wordt wel voor zelfmoord gebruikt. Dergelijke nalatigheid moet worden afgestraft.

Bijstand aan zelfmoordenaars is een moeilijk schemergebied. De rechtbank van Amsterdam sprak maandag Ton Vink vrij voor strafbare hulp bij zelfdoding. Vink is een van de vrijwilligers die voor Stichting de Einder mensen met een doodswens begeleidt. Zijn cliënt, een 54-jarige vrouw, zou zelf het initiatief hebben genomen om de dosis medicijnen tot een dodelijke hoeveelheid te verhogen. Met euthanasie had dit niets te maken want de vrouw was gezond.

Deze rechterlijke uitspraak houdt de vrijwilligers van de stichting de Einder scherp, ook al komt de verdachte vrij. Er moet een zekere vrijheid zijn van gedachte te wisselen met suïcidale mensen, ook al is er kritiek mogelijk op de geestelijke bijstand die door de vrijwilligers van stichting de Einder wordt geven. Er zijn ook professionele en vrijwillige hulpverleners die zich in de eerste plaats richten op het voorkomen van zelfmoord, niet op de neutrale begeleiding van mensen met plannen. Gelukkig ook maar.

In de taboedoorbrekende jaren ’60 en ’70 is het jaarlijkse aantal zelfmoorden gestegen tot 1.800 per jaar, daarna zette een daling in tot 1.500 per jaar. Mensen leven niet alleen voor zichzelf maar zijn, in de woorden van de psychiater dr. G.F. Koerselman, ingebed in een groter geheel van verantwoordelijkheden waarnaar ze zich hebben te schikken. Een zelfmoordpoging is niet strafbaar gesteld om de terugkeer naar het gewone leven niet nodeloos moeilijk te maken. Maar door de hand aan zichzelf te slaan, kunnen mensen schade toebrengen aan familie en nabestaanden. Die schade wordt niet minder als iemand zijn eigen dood gaat regisseren met bijeenkomsten vooraf, zoals de schrijver Adriaan Venema in 1993.

Een openbaar afscheid van het leven maakt anderen ongewild medeplichtig. Daarna wordt het voor de potentiële zelfdoder moeilijker er zonder gezichtsverlies van af te zien. Venema’s voorspelling dat levensbeëindiging tien jaar later heel gewoon zou zijn, is niet uitgekomen.

Zelfmoord is nooit geheel uit te bannen, maar wel te voorkomen. Mislukte pogingen kunnen eenmalig zijn. Men kan over zijn doodswens heen groeien. Depressie kan worden behandeld of voorbijgaan. Ook weloverwogen gevallen, de ‘balanssuïcide’ die door de Amsterdamse rechtbank werd behandeld, kunnen vaak worden voorkomen. Daarop moet de hulpverlening zich richten.