Forever

Omdat je het toch nooit kunt winnen van de dood, kun je er maar beter een mooie film over maken. Dat heeft Heddy Honigmann gedaan met haar documentaire Forever over de Parijse begraafplaats Père Lachaise. Deze film, is mijn overtuiging, wordt een klassieker. Lang nadat we uitgepraat zijn over Zwartboek, Babel, The Departed en aanverwante producten, zal er nog behoefte zijn aan Forever.

Je merkt het aan de reacties van het publiek na afloop. Niemand heeft veel zin om op te staan. De mensen dralen op weg naar de uitgang, ze zouden nog wel wat willen blijven, even mijmeren, even napraten. Ze hebben gezien hoe andere mensen met de dood omgaan en wat het leven waardevol maakt – ondanks die dood.

Honigmann laat enkele bezoekers van Père Lachaise vertellen hoeveel troost ze nog altijd putten uit het werk van kunstenaars die daar begraven liggen: Proust, Chopin, Hedayat. Zij houden die kunstenaars met hun bewondering in leven, en daarmee ook zichzelf. Dat klinkt bijna te verheven om waar te zijn, alsof er geen hopeloos, onstelpbaar verdriet zou zijn dat niets met troost te maken wil hebben.

Maar ook dát verdriet heeft een plaats gekregen in deze film, zoals in het hartbrekende verhaal van de weduwe die haar twintig jaar jongere man na „drie jaar intense liefde” zag bezwijken aan één bijensteek. „Over de dood hoor je dagelijks”, zegt zij, „maar je begrijpt het pas als het je overkomt.”

Honigmann moet gevoeld hebben dat haar film een contrapunt nodig had na al die verhalen over onsterfelijke kunst. De dood blijft, hoe je het ook wendt of keert, een klootzak die zijn zin doordrijft. Daarom duikt tegen het einde ‘de thanatopracteur’ op, iemand die lijken op lichte wijze balsemt. Het is een officieel erkend beroep in landen als Frankrijk en Groot-Brittannië, maar in Nederland is balsemen verboden, behalve bij leden van het Koninklijk Huis.

De thanatopracteur in Forever vertelt hoezeer hij zich door de schilder Modigliani heeft laten inspireren. Modigliani verliet het realisme, maar zag daarna kans het wezen van iemand nóg duidelijker uit te drukken. Dat streefde de thanatopracteur ook in zíjn werk na. Op zeker moment merk je dat hij ontroerd raakt. Ik moet de dode niet mooier maken, zegt hij, ik moet de familie de dood laten accepteren. Maar dat is moeilijk. Want de mensen verwachten dat hij hun het leven teruggeeft.

Toen begon in de rij achter mij een vrouw zacht te snikken. Ze wist wat hij bedoelde, ze had het misschien nog niet zo lang geleden zó ervaren. Ondertussen ging de thanatopracteur verder met zijn werk. Er lag een mooie, jonge vrouw op zijn tafel, van wie ik me afvroeg of het geen levende actrice was, zó gaaf lag ze er nog bij. Tegelijkertijd kon ik me zoveel effectbejag bij Heddy Honigmann niet voorstellen. Het was ook niet zo, hoorde ik haar later in een interview vertellen, die vrouw was nog maar net dood, plotseling gestorven aan een hersenbloeding. „Ik vond dat je de dood even moest zien”, zei ze.

We zágen hem, en we leerden hem weer haten, misschien juist omdat de film er niet nadrukkelijk om had gevraagd.

    • Frits Abrahams