Elke gelukkige scholier is hetzelfde

Herman Stevens: Moederziel. Prometheus. 334 blz. € 19,95

Eén ding is zeker als we kijken naar het oeuvre van Herman Stevens door de jaren heen: zijn romans nemen gestaag in omvang toe. Mindere goden (1990) was het dunst en Moederziel, zijn vijfde roman inmiddels, is het dikst. Wel bleef hij trouw aan zijn eerste thema: hij schrijft nog steeds over de liefde. Geen eeuwige liefde, maar liefde die opkomt, bloeit, taant en weer doodbloedt, soms letterlijk.

In Moederziel draait het niet om mannen en vrouwen die elkaar vroeg of laat de rug toekeren, maar om het kind dat daar de dupe van wordt. Terwijl vader achterblijft in het dorp Overschie, verhuist de twaalfjarige Wessel met zijn moeder naar Rotterdam. Bij gebrek aan beter nemen ze hun intrek in haar bouwvallige dansschool, die ook al voorkwam in Stevens’ vorige roman, Gouden bergen (2001) Wessel vraagt zich vertwijfeld af waar het met zijn leven heen moet nu het als het ware in tweeën is gehakt. Hij voelt zich moederziel alleen, zo suggereert de titel van de roman. Maar je kunt er ook in lezen dat hij zich juist en misschien wel te sterk verbonden voelt met zijn moeder. Die dubbelzinnigheid: eenzaamheid én zielsverknooptheid, draagt bij aan de gevoelsverwarring die in Moederziel tot uitdrukking wordt gebracht.

Stevens volgt hier het spoor terug naar de jeugd, waarbij hij, volgens de flaptekst, meer dan ooit zou hebben geput uit eigen ervaringen. Wessel ziet zijn toekomst met weinig vertrouwen tegemoet. Na de zomervakantie moet hij naar de middelbare school. Het liefst zou hij al zijn dagen blijven vullen met tekenen en ronddwalen, maar van zijn moeder moet hij naar het gymnasium. Hij is ervan overtuigd dat hij niet aan de hoge verwachtingen zal kunnen voldoen. Hij zint op middelen om zijn leven terug te draaien, om weer geleidelijk nul te worden en steeds minder te hoeven kunnen, maar hij moet onder ogen zien dat hij niets te zeggen heeft over de tijd. Er zal vooruit geleefd moeten worden, of hij wil of niet.

Zo staat het ervoor na het eerste hoofdstuk van Moederziel. De door de wol geverfde lezer, die wel vaker een roman las over ongelukkige scholieren, gaat zich al een beetje verheugen op het allerergste. Dit wordt een boek vol kommer en kwel over een onhandige jonge tekenaar en denker die door de wereld zal worden uitgestoten. Gepest en uitgelachen door klasgenoten. Niet begrepen door zijn vader. Gemaltraiteerd en vernederd door leerkrachten. En natuurlijk ongelukkig in de liefde want afgewezen door het meisje op wie hij verliefd is. De vraag is alleen nog hoe Stevens het zal gaan aanpakken, met zijn moderne variant op Terug tot Ina Damman, van S. Vestdijk.

Wessel heeft zeker het een en ander gemeen met Anton Wachter: enig kind, sterke moederbinding, tekentalent en een bijna onstelpbaar verlangen naar meisjes en vrouwen, naar de ‘roze meisjeslucht’ die in de dansschool hangt en waarvan hij regelmatig een flinke teug neemt. Maar de verschillen zijn groter. Anders dan bij Anton, die een jaar lang naast Ina Damman wandelde zonder tot haar door te dringen, valt er tussen Wessel en zijn Saskia Stelloo geen enkele koelte te bespeuren. De liefde is meteen wederzijds. Tussen het vele zoenen door voeren ze diepgaande gesprekken; heel wat bezonkener dan je van dertienjarigen zou verwachten. Anders ook dan Anton heeft Wessel van zijn klasgenoten niets te duchten: geen pesterijen, geen scheldwoorden, geen spoor van vijandigheid. Van wie of wat heeft hij eigenlijk wel iets te duchten? Niet van zijn begripvolle moeder in elk geval. Zijn sympathieke vader legt hem evenmin een strobreed in de weg. Hij is populair bij de meisjes. Hij ligt goed op school en haalt ook nog eens goede cijfers.

Moest ik Moederziel in één woord samenvatten, dan koos ik voor anticlimax. Stevens neemt eerst royaal de tijd om zijn jonge held zo dramatisch mogelijk te introduceren en lost vervolgens de belofte niet echt in. We lezen over de schuchtere klasgenoot Nico, over zittenblijver Frank, een grofbesnaard type met spierballen die het niet zal redden op school en over de brave Zenaida, die altijd hoge cijfers haalt op haar proefwerken. We lezen over de schoolkrant waarvoor Wessel pikante tekeningen mag maken, over zijn mederedacteuren bij wie hij wel eens thuis komt en over de vaderlijke rector Van der Laan, die het beste met hem voorheeft. We lezen over de meisjes van de dansschool in hun balletpakjes, die op woensdagmiddag altijd op zijn bed komen zitten, over de frêle Saskia in haar ‘schelpjesjurkje’, haar ‘margrietjesjurkje’, haar ‘broekje’ of haar ‘vestje’. En over ballerina Floortje met haar paarse gehaakte poncho, die ze ‘met geraffineerde slordigheid om haar schouders drapeerde’, zoals het nogal meisjesboekachtig heet. En zo suddert Moederziel voort, van kerstrapport via krokusvakantie naar het eind van weer een schooljaar. Van de jaren zestig en zeventig is erg weinig te merken in deze kleine wereld van Kruiskade, Heemraadssingel, Rochussenstraat en Mathenesserlaan, met hier en daar een snuifje Kralingen of havengebied. De vader van Wessel sterft plotseling aan een onopgehelderde ziekte, moeder heeft een escapade met José die eigenlijk Joost heet en Wessel doet het stiekem met Saskia en later met Ingrid en Yvonne, maar echt spannend wil het verhaal nergens worden. Op zijn voorbije verkering met Saskia, die ongeveer een jaar heeft geduurd, kijkt Wessel op zijn zestiende als een soort bejaarde terug: ‘Hij was de liefde kwijt, en hij was die al zo lang kwijt dat hij zich niet eens meer kon warmen aan de as.’

Moederziel is een iets te dikke roman over iets te dunne meisjes.