Die wonderlijke helderheid

Zeventiende aflevering van een serie over het leven van bekende en onbekende bomen in Nederland.

„Soms breken ze af. Dan kun je zien hoever ze al waren ingerot en uitgehold.” Foto Sake Elzinga Nederland - Assen - ( Drenthe ) -22-01-2007 Omgewaaide bomen in het Asserbos. Foto: Sake Elzinga storm stormschade schade Elzinga, Sake

Onstuimig zijn is oké. Onstuimig, dan gebeurt er tenminste wat. Maar er zijn grenzen. Het moet niet ontaarden in vernielzucht.

De storm loeide als een bezetene en daar bovenuit klonk een krakende kreun. Aan de boskant van ons huis was in een rijtje tachtig- tot honderdjarigen een beuk van zijn stam gescheurd. Dat was de tweede al in drie weken, en ik ben gehecht aan dat rijtje. Bovendien had hij in zijn val één douglasspar meegesleept en een andere beschadigd, terwijl die tot op dat moment zo dapper hadden standgehouden. Uit het overige naaldhout waaiden intussen zoveel takken dat het groen leek te snééuwen.

Dat was in de namiddag. ’s Avonds toch maar even naar buiten met de hond. Het stormde nog steeds enorm. Zinloos geweld, heel intimiderend. Bomen hebben dan iets van galeislaven die op een zinkend schip aan hun ketenen rukken.

De volgende morgen, hoewel nog steeds winderig, had de lucht die wonderlijke helderheid die je, na een gepasseerde depressie, ook in je hoofd kunt hebben. Dus eerst maar eens door de parken en buitenwijken aan de noordkant van de stad.

In de stilte na de storm zat een koolmeesje te zingen. En verderop de roep van een zeilende buizerd. En steeds het gejank van een motorzaag in de verte (of dichtbij).

Ergens lag een halfwas eik dwars over het pad. Daar stond een ruwharige teckel bij, helemaal de weg kwijt. „Ze had eigenlijk blond moeten zijn”, zei haar bazin, die zelf blond was; heus, ík had die grap nooit gemaakt.

Elders lag een beuk juist mooi evenwijdig aan het pad, zijn hoogte veranderd in lengte. Dertig passen. Indrukwekkend toch hoe zo’n machtige boom door een nog grotere macht kan worden geveld.

Soms breken ze af. Dan kun je zien hoever ze al waren ingerot en uitgehold. Soms vallen ze met kluit en al. Dan kun je eindelijk de onderkant zien, dat heksenverblijf waarin bomen wortelen. Dan vraag je je af waar in ’s hemelsnaam hun hérsenen zitten, net zoals je je ooit hebt afgevraagd waar bij mensen de ziel zou zitten.

De dagen daarna heb ik door de bossen van de Veluwezoom zo’n beetje al mijn vaste routes gelopen om te kijken wat de storm had aangericht, wat er nieuw was. Hier en daar was het inderdaad een ravage.

Op sommige plaatsen werd de doorgang versperd door een wirwar van gevallen stammen. Frappant: overal waren al omlooppaadjes ontstaan– zoveel mensen zijn je overal voorgegaan. En dieper in het bos zag je daar hoe de straffe verticale belijning werd gearceerd door bomen die als murwgebeukte boksers in de armen van een buurboom hingen – die al dat geweld dus mét deze handicap had overleefd.

Steeds was dat bij de percelen met voormalig productiebos. Steeds was het grove den of douglas, óf niet goed geworteld óf bezweken onder het gewicht van hun door regenwater verzwaarde groene kroon. De beukenlanen daarentegen, die je bij het oversteken naar links en rechts kon afkijken, waren nog geheel intact. En er waren uitgestrekte stukken bos waar de storm nauwelijks iets had toegevoegd aan het dode hout dat er al lag, de oogst van eerdere stormen.

Hoe dan ook: voor de hond een ruime keus uit nieuwe stokken. Hij sleept het liefst met stokken van ongeveer zijn eigen lichaamsgewicht (9,5 kilo). Om het leuk te houden, moet je af en toe doen alsof je hem die wilt afnemen, alsof je zélf met zo’n stok zou willen slepen. En als hij hem ergens achterlaat, moet je hem ernstig aankijken: „Ga jij je stok eens halen.” Dan staat hij even stijf van verbazing. O, was dát de bedoeling! Vervolgens rent hij terug om hem te halen, als is het honderd meter, precies waar hij was gebleven.

Op de vijfde ochtend na de storm kwam ik op een oud landgoed bij een houten bruggetje dat door de gekantelde kluit van een lariks was opgetild en onder een hoek van dertig graden gezet. Maar dat was al eerder komisch dan dramatisch. Toen had mijn ontzag voor de storm, want het was er wel eentje, al plaatsgemaakt voor ontzag voor de bomen die hem hadden doorstaan. Verreweg de meeste. Kennelijk bouwen ze zichzelf met een ruime veiligheidsmarge.

    • Koos van Zomeren