De Staat van de Generaal

Het was niet alleen Philips die deze week zijn prestaties over 2006 rapporteerde, ook de Tweede Kamer kwam woensdag met jaarcijfers. Uiteraard geen winst per divisie of omzet per vierkante meter, maar wel een keur aan statistieken over ‘organisatorische, publieke en politieke feiten’.

Volksvertegenwoordigers blijken het afgelopen jaar ingrijpend minder vergaderd te hebben. Het aantal commissievergaderingen daalde voor het tweede jaar op rij. En het aantal ‘overige vergaderingen’ – de hoofdmoot – daalde voor het derde achtereenvolgende jaar naar 5.321. Het aantal binnenlandse werkbezoeken van commissies halveerde.

Maar de belangrijkste trendbreuk deed zich voor bij de moties en Kamervragen. Voor het eerst daalde het aantal ingediende en aangenomen moties. En het aantal Kamervragen lijkt definitief over zijn hoogtepunt heen. De schriftelijke vragen daalden in 2005 al licht, vorig jaar zette die daling verscherpt door tot een aantal van 1.772.

Goed nieuws? Een topambtenaar vergeleek de nieuwsgierigheid van Kamerleden ooit met diarree, met KIR-antwoorden als gevolg: kluitje in het riet. Voormalig LPF-Kamerlid Joost Eerdmans stoorde zich zo aan zijn collega’s dat hij een jaarlijkse top-10 van stompzinnige vragen introduceerde. Zo worden vragen over een Rotterdamse tenenlikker, de btw-afdracht voor hulpsinterklazen of de fiscale aftrekbaarheid van een opleiding tot heks beter voor het nageslacht bewaard.

Zijn Kamervraag hoeveel een Kamervraag kost, werd een paar jaar geleden eerst afgedaan met het antwoord dat het te veel kost om uit te zoeken wat het kost. Theo Joekes vroeg het in 1969 en hoorde toen dat het duizend gulden kostte. Minister Remkes extrapoleerde het naar 1.750 euro. Dat was drie jaar geleden, dus er mag inmiddels wel van 1.900 euro worden uitgegaan.

Minder vragen betekent minder kosten, maar dat is natuurlijk een rare meetlat voor de politiek. De Raad voor het Openbaar Bestuur concludeerde in de zomer van 2005 dat veruit de meeste Kamervragen wel degelijk zinvolle vragen zijn en dat zij een belangrijke functie vervullen in ons parlementaire bestel.

Dat Kamerleden minder vragen, minder vergaderen en minder op pad gaan is niet verklaarbaar door de val van het kabinet of door verkiezingen. De daling was niet te zien in 2002 (val Balkenende I) of 2003 (verkiezingen en Balkenende II).

Nu is nog de vraag of dat betekent dat de volksvertegenwoordigers vorig jaar effectiever en efficiënter zijn geworden, of dat zij zich juist minder goed van hun taak kwijten.

Jeroen Wester