De gelukkige klasse

Een steenrijke elite maakte in het Nederland van de 17de eeuw de dienst uit. Geld, macht en cultuur gingen hand in hand. Drie boeken laten zien hoe de ‘fine fleur’ leefde.

Kees Zandvliet: De 250 rijksten van de Gouden Eeuw. Kapitaal, macht, familie en levensstijl. Rijksmuseum/Nieuw Amsterdam, 500 blz. €39,95

Milko den Leeuw en Martin Pruijs (red.): De Gouden Bocht van Amsterdam. Stichting ITARR, 340 blz. €69,50

Erlend de Groot: The World of a Seventeenth-Century Collector. The Atlas Blaeu-Van der Hem. Hes & De Graaf, 395 blz. € 99.–

De schilder Gerrit Berckheyde vervaardigde in 1672 een gezicht op een deel van de toen nieuw aangelegde Herengracht te Amsterdam. Er staan nog geen bomen en geen lantaarnpalen. De gracht, het water, de kades, stoepen en gevelwanden baden in een genadeloos ochtendlicht. Hier is een nieuw opgeleverd, architectonisch en stedekundig meesterwerk haarscherp verbeeld. Opvallend zijn de vijf witte vlakken op dat schilderij. Het zijn de gepleisterde zijmuren van huizen waarnaast de buurpanden nog ontbreken. Voor de onbebouwde percelen staan schuttingen en steigers en op de kade liggen grote brokken natuursteen. Dit is een opmerkelijke afbeelding want van het immer expanderende Amsterdam, waar in deze jaren altijd en overal gebouwd werd, is vrijwel nooit iets van bouwactiviteiten verbeeld. Geen baggerraars, metselaars, timmerlieden, kruiers of takelaars. Dertien jaar later schilderde Gerrit Berckheyde precies hetzelfde stuk van de Herengracht. Nu zijn de percelen volgebouwd. Vijf kapitale panden zijn in de tussentijd opgetrokken en inmiddels door leden van de schatrijke en machtige elite van de stad ingericht en bewoond. Dat zijn precies de personen die figureren in het mooie en originele boek De 250 rijksten van de Gouden eeuw, geïnspireerd door de jaarlijkse Quote 500 rijksten van Nederland. Het boek is geschreven door Kees Zandvliet, hoofd van de afdeling Nederlandse Geschiedenis van het Rijksmuseum.

Dit boek wil een overzicht geven van degenen die in de 17de eeuw ‘op een of ander moment tot de rijksten van het land’ hebben behoord. Na een schets van de werkwijze waarop deze lijst tot stand is gekomen en een samenvatting van de resultaten volgen 264 minibiografietjes van de gouden burgers van die tijd. Het zijn verhalen van personen die door noest ondernemerschap of dankzij lucratieve erfenissen, handige huwelijken en verstandige beleggingen aan de top zijn geraakt. Het geeft een fascinerend beeld van ondernemers, bankiers, fabrikanten, renteniers, en leden van de adel. We volgen hun opleiding, huwelijk, carrière en hun culturele uitstraling, hun financiële opmars, of soms ook neergang zoals van de steenrijke handelaar op de Middellandse Zee en Amerika Jeremia van Collen. Hij was ‘door misfortuyn ende swaere banqueroeten’ aan de bedelstaf geraakt.

Het boek is goed geïllustreerd, het staat vol portretten en afbeeldingen van buitenhuizen en persoonlijke bezittingen van de financiële elite. Omdat die afbeeldingen grotendeels afkomstig zijn uit het Rijksmuseum lijkt dit boek een prelude in boekvorm van de nieuwe inrichting van het Rijksmuseum waarin geschiedenis en kunst geïntegreerd zullen worden. Een aantal van de opgenomen personen is bekend: de stadhouders, die tot de allerrijksten behoorden (ƒ 25.000.000), Johan de Witt (ƒ 450.000), Johan van Oldenbarnevelt (ƒ 250.000), Michiel de Ruyter (ƒ 350.000) Constantijn Huygens (ƒ 300.000), Jacob Cats (ƒ 381.000) en dominee Wtenbogaert (ƒ 200.000) en Jan Six (ƒ 280.000); de beide laatsten zijn door Rembrandt geschilderd. Naar anderen is nog wel eens een straat genoemd, maar het merendeel is vergeten. Hoeveel die vermogens nu in euro’s waard zouden zijn, is niet gemakkelijk vast te stellen. Afhankelijk van de omrekeningsmethode moet men het bedrag minimaal met tien vermenigvuldigen.

Die elite bestond uit enkele tientallen familiegroepen die in de steden, de gewesten en uiteindelijk in de hele Republiek een politieke machtsrol konden spelen. Tenminste wanneer ze lid waren van de gereformeerde kerk. Een uitsplitsing van de lijst van 264 laat zien dat ook onder de katholieken, de doopsgezinden en de joden gefortuneerde geslachten voorkwamen. Die analyse toont ook aan dat het allergrootste deel van het grote geld (88 procent) zich in Holland bevond. En in dat gewest had Amsterdam verreweg het grootste aantal gefortuneerden, gevolgd door Den Haag. Uit Drenthe is niemand tot de lijst doorgedrongen tot de lijst. Ver weg van het vaderland ten slotte behoorde ook een aantal topfunctionarissen van de VOC tot die elite.

Het totaalbeeld is niet verrassend, maar blijft tegelijk ook onscherp. Dat ligt aan het uitgangspunt van het boek. Men kan zich vragen stellen over de gevolgde methode en over de keuze van de onderzochte personen. Er zijn twee bronnen om achter het vermogen van iemand uit de 17de eeuw te komen: vermogensaanslagen en testamenten. In de praktijk liggen de daarin opgegeven bedragen ver uiteen. Degenen die aangeslagen werden voor de honderdste of tweehonderdste penning (dus 1 of 0,5 procent) waren uiteraard geneigd om eerder minder dan meer bezit op te geven, er is niets nieuws onder de belastingzon. Maar ook al wordt dat verdisconteerd, dan nog is die bron vertroebelend omdat deze aanslagen niet van alle steden en gewesten bewaard zijn gebleven. Bovendien zijn in die aanslagen niet altijd de onroerende bezittingen buiten de stad opgenomen, de landerijen en buitenhuizen. Het is dan ook aannemelijk dat de rijken nog rijker waren en bovendien dat er bij dit onderzoek een hoop rijken buiten zicht zijn gebleven.

Een tweede bezwaar tegen de gevolgde methode is het vage criterium ‘op enig moment’. Vaak waren verscheidene leden van een familie schatrijk. Toch wordt dan doorgaans maar één persoon op de lijst gezet. Uit de wapenhandelaarsfamilie Trip bijvoorbeeld komen weliswaar twee personen voor: Elias en zijn neef Louis, beiden goed voor een miljoen gulden. Maar de twee broers van Louis bezaten ook tonnen, zijn beide dochters erfden tonnen en de ene huwde iemand die 600.000 gulden inbracht, de andere trouwde met een schatrijke burgemeesterszoon. Geen van die familieleden heeft een apart nummer in de lijst. De lijst is, dat geeft de inleiding ook wel toe , dus vertekenend.

De gefortuneerde elite was dus voor meer dan de helft in Holland geconcentreerd en daar weer in Amsterdam. In die stad woonde de fine fleur dan weer langs de grote grachten, die tussen 1613 en 1680 zijn aangelegd. En van die grachten was de Herengracht favoriet. Gerrit Berckheyde schilderde dus het gouden hart van Nederland. Aan dat stuk Amsterdam is een royaal uitgegeven boek gewijd De Gouden Bocht van Amsterdam genaamd, dat zich concentreert op de huizen en de wooncultuur van zijn bewoners. Het boek met een schat aan – helaas nu eens te donker dan weer te flets gedrukte – foto’s biedt een mooie inkijk in het leven van de elite, haar smaak en ook van de veranderend modes. Het boek loopt namelijk door tot de 20ste eeuw. Grote aandacht krijgen de interieurs, dat wat de wandelaar langs de grachten zelden te zien krijgt: de plafond- en wandschilderingen, het stucwerk, het meubilair en de verzamelingen die de Amsterdamse burgers aanlegden. Veel daarvan is verdwenen, verkocht of in afvalcontainers gedumpt, maar het speurwerk dat aan dit boek ten grondslag ligt heeft een aantal vondsten opgeleverd. Op nummer 479 van die gracht bijvoorbeeld woonde omstreeks 1700 de schatrijke regent Nicolaes Witsen (ƒ 990.000). In een van zijn kamers had hij zijn onmetelijke verzameling curiositeiten opgesteld. Onder het 18de-eeuwse plafond werden onlangs fraaie, uit Witsens tijd daterende schilderingen van exotische vogels ontdekt.

Iets verderop aan de gracht woonde een andere grote verzamelaar van die tijd, Laurens van der Hem (ƒ 211.000). Van der Hem is atypisch. Hij was namelijk katholiek en bekleedde derhalve geen enkel ambt. Bovendien had hij zijn kapitaal niet verkregen in de handel of scheepvaart; hij was advocaat. Van der Hem had een reusachtige verzameling historische en topografische prenten en tekeningen bijeengebracht. De kern daarvan bestond uit de Atlas Maior van Joan Blaeu, maar Van der Hem had die gedurende twintig jaar aangevuld met prenten en in opdracht gemaakte tekeningen. Zo ontstond een reusachtige privé-atlas van 46 grote banden waarin alle bekende delen van de wereld vertegenwoordigd waren. Samen met zijn grote collectie losse prenten en tekeningen en zijn bibliotheek vormde dit een reusachtig kenniscentrum. Geografen, historici en kunstenaars hebben daar regelmatig van gebruik van mogen maken. Dergelijke door liefhebbers met kosten noch moeite samengestelde privé-encyclopedieën werden wel vaker samengesteld, maar zijn vrijwel alle in de loop der tijd uit elkaar gehaald en verspreid geraakt. De Atlas van der Hem is de enige in zijn soort die in zijn geheel is bewaard gebleven. Tegenwoordig behoort hij tot de grote schatten van de Nationalbibliothek in Wenen. Hij staat terecht op de Werelderfgoedlijst.

Het onderzoek naar deze atlas is al jaren gaande en dat heeft onder andere geresulteerd in een tentoonstelling en in een zesdelige catalogus. Over Van der Hem en zijn verzameling is nu een studie van Erland de Groot verschenen. In dit kloeke boek, oorspronkelijk een proefschrift, behandelt hij gedetailleerd de atlas zelf, de context van de verzameltraditie en het leven van de eigenaar. Laurens van der Hem –zelf een thuisblijver – was een van de vele schatrijke Nederlanders, die gedreven door een combinatie van nieuwsgierigheid en esthetisch genoegen, alle hoeken en gaten van de wereld onder handbereik had, waarop zijn gefortuneerde buurtgenoten handel dreven. Domweg gelukkig aan de Herengracht.

    • Roelof van Gelder