Chère Emma,

Precies 150 jaar geleden stond Gustave Flaubert terecht omdat ‘Madame Bovary’ de zeden zou bederven. De roman werd een bestseller en Emma Bovary groeide uit tot een van de beroemdste literaire personages. Reden voor een persoonlijke felicitatie.

U herinnert zich mij waarschijnlijk niet meer – we maakten een jaar of twintig geleden voor het eerst kennis. Nu hernieuw ik graag het contact om u te feliciteren: 150 jaar Madame Bovary! Indertijd maakte u een onuitwisbare indruk op mij, al zie ik nu dat het om de verkeerde redenen was. Ik las uw verhaal zoals ik ook de Bouquetreeksboekjes las: als een liefdesavontuur. Dat het zo slecht met u afliep nam ik morrend op de koop toe, ergens al vaag vermoedend dat dat dan met ‘literatuur’ te maken had.

Wat ik toen niet zag, was dat er van echte liefde helemaal geen sprake was. Beeldschoon en karakterloos als u bent, pleegde u – de vrouw van een saaie plattelandsarts – alleen maar overspel uit verveling en begeerte, en ruïneerde u het gezin uit praalzucht, uiteindelijk vluchtend in de dood liever dan de realiteit onder ogen te zien.

Wat hebben ze wel niet allemaal over uw beweerd! Vrijwel elke literatuurtheoreticus heeft zijn zegje over u willen doen in de afgelopen anderhalve eeuw. Dat is ook wel begrijpelijk. U bent ten slotte een van de fascinerendste personages uit de wereldliteratuur. De ene criticus werd door uw voorbeeld zelf weerhouden van zelfmoord, de volgende droomde ervan om ook een affaire met u te beginnen, weer een ander legde u op de divan en kwam tot de conclusie dat het bij u om penisnijd draait. (En eerlijk is eerlijk, die laatste theorie zou kunnen verklaren dat u per se een zoon wilde en zelfs in zwijm viel toen uw enige kind een meisje bleek te zijn).

Dus dat is allemaal tot daar aan toe. Maar nu hebben ze het zelfs over uw eierstokken!

Het moet niet gekker worden. In Madame Bovary’s Ovaries. A Darwinian Look at Literature geven David en Nanelle Barash een biogische interpretatie van de handelingen van literaire personages. Zo wordt uw (maar al te begrijpelijke) verlangen naar iets verheveners dan uw snurkende, gezapige Charles uitgelegd als een biologische drang. Alsof u alleen bezig was met het reproduceren van de meest gunstige genen! Net zo min als uw lotgenote Anna Karenina was het u te doen om nageslacht te verwekken bij uw minnaar.

Chère Emma, waar was het u dan wel om te doen? Om het moment dat u voor uw spiegelbeeld kon verzuchten: ‘Ik heb een minnaar’? Om een beeld dus? Een beeld dat was gebouwd uit mystieke indrukken opgedaan op de kloosterschool, uit de romantische platen die de meisjes daar verstopten en de slechte romannetjes die de naaister er binnen smokkelde.

Vooral het laatste krijgt tegenwoordig veel nadruk. Uw leven wordt vooral begrepen als een verhaal over lezen en over literatuur – over de invloed van de slechte romannetjes die u las ondanks de pogingen van uw familie om u daarvan af te brengen. Het boek zou gaan over iemand die van de fictie werkelijkheid probeert te maken, net als Don Quichot. En natuurlijk is het aantrekkelijk om in u een nazaat van die najager van windmolens te zien.

U kent die roman waarschijnlijk niet (het is nauwelijks lectuur voor op de kloosterschool), maar uw geestelijke vader, Flaubert, kende hem maar al te goed. Als kind had hij hem eindeloos voorgelezen willen hebben. Maar is dat lezen nu wel zo belangrijk voor uw lotgevallen?

Ten eerste las u ook goede boeken, Balzac en Sand bijvoorbeeld, ten tweede leefde u al in illusies toen u Charles nog maar net leerde kennen, en ten derde is literatuur niet de enige leverancier van droomwerelden. De kerk bijvoorbeeld speelde net zo’n grote rol in het bederven van uw geest, en de afwezigheid van een moeder ook, vermoed ik. Haat u uw schoonmoeder niet omdat zij uw eigen moeder nooit kan vervangen?

Volgens uw schepper was u bovendien al slecht van uzelf: ‘een enigszins boosaardige natuur, een vrouw van valse poëzie en gemaakte gevoelens’, zoals Flaubert schrijft in de brieven die hier onlangs zijn verschenen. Nog erger verloochent hij u als hij uw bestaan geheel en al ontkent. Aan de ene kant schrijft hij: ‘Madame Bovary heeft niets echts’. En hij voegt eraan toe: ‘ik heb er niets van mijn gevoelens of mijn leven in gestopt’. Om vervolgens een in de literatuurkritiek steeds maar weer geciteerd betoog te houden over de kunstenaar, die ‘moet in zijn werk zijn als God in de schepping, onzichtbaar en almachtig; laat Hij overal voelbaar maar nergens zichtbaar zijn. En verder moet de Kunst boven persoonlijke gemoedsaandoeningen en nerveuze gevoeligheden uitstijgen.’

Dat klinkt natuurlijk heel prachtig, maar het is de vraag of dit streven Flaubert ook meteen in zijn eerste roman gelukt is. Al met al heeft u best het een en ander gemeen met uw schepper (de verveling op het platteland, de zenuwziekte, de liefde voor het lezen, de afschuw van burgerlui, de zucht naar het Schone, de allesverterende eerste liefde). Bovendien bent u wel degelijk echt, zoals Flaubert ook wist. ‘Een vrouw zoals je die vaker ziet’, schrijft hij over u. En bovendien heeft hij u gemodelleerd naar een werkelijke echtgenote van een dorpsarts, over wier leven en dood een berichtje in de krant had gestaan.

Uw schepper had een formidabel inzicht in maatschappelijke verhoudingen, en zag van nabij wat vrouwen in burgerlijke milieus overkwam. Hij spoorde zijn vriendinnen daarom aan om hun leven zin te geven, door te reizen of door te lezen: ‘lees niet zoals kinderen lezen, om u te amuseren, en niet zoals ambitieuze lieden lezen, om u te ontwikkelen. Nee, lees om te leven. [...] Het gaat om werken, begrijpt u? Ik zie niet graag dat een mooi karakter als het uwe teloorgaat in verdriet en onledigheid.’

Door het voorbeeld van uw leven kon hij bovendien later met zijn nichtje Caroline meevoelen, toen zij twijfelde over een huwelijkskandidaat. Net als uw Charles was die man van haar goed en braaf, maar ontbrak het hem aan ‘geest en innemendheid’. Flaubert schrijft haar in 1863: ‘Het menselijk leven voedt zich met andere dingen dan poëtische ideeën en geëxalteerde gevoelens. Maar als het burgerlijk bestaan je aan de andere kant laat sterven van verveling, wat moet je dan besluiten?’ Dat was precies uw dilemma, nietwaar Emma?

Maar behalve een latent feminist was Flaubert een openlijke macho. Als u zijn brieven aan zijn vrienden eens las! Daarin schept hij op wie hij allemaal ‘geneukt’ heeft: dat klinkt heel anders dan de ‘kusjes’ en ‘aaitjes’ die hij in zijn correspondentie met vrouwen uitdeelt. Hij heeft het in een brief aan Feydeau zelfs over de ‘fundamentele immoraliteit van vrouwen.’ ‘Dat komt allemaal door hun orgaan. Waar een man een Verhevenheid heeft, hebben zij een Gat [...] Dat is de duisternis, de vochtigheid, de troebelheid’.

U en ik weten dat we zulke mannenpraat niet zo serieus hoeven te nemen – hij had immers wel degelijk oog voor uw lijden op het platteland. Want waar Flaubert pas echt een hekel aan had, was aan domheid en vooral aan burgerlui: ‘De burgerman [...] is van een bloeddorstigheid die met geen pen te beschrijven is.’ Die bloeddorst is de eigenlijke hoofdpersoon van Madame Bovary. Want uw naam prijkt dan wel op de kaft, maar liet Flaubert niet aan de hand van uw verhaal, zien hoe verdorven de anderen eigenlijk zijn? De ondertitel van het boek luidt ‘moeurs de province’. Dat kan je vertalen als ‘provinciaalse zeden en gewoonten’, maar ook als: ‘plattelandsmanieren’. Roddelziek, eerzuchtig, ijdel en vooral heel erg dom: dat zijn uw dorpsgenoten.

Het proces dat in januari 1857 tegen uw schrijver werd gevoerd had daar dan ook alles mee te maken. De aanklacht luidde dat hij zich had bezondigd aan ‘morele overtredingen’. Daarmee werd gedoeld op uw zes uur durende rondrit met Léon in een koets met gesloten gordijntjes, en op de belediging van de kerk. Nu was het ook wat uitdagend van Flaubert om de kathedraal van Rouen te vergelijken met ‘een reusachtig boudoir’ dat u omgaf, of om u de meest innige ‘liefdeszoen’ te laten geven op een crucifix. Maar waar het natuurlijk feitelijk om ging, waar het écht pijn deed, was de genadeloze afrekening met de hele kortzichtige, burgerlijke maatschappij van de 19de eeuw: een maatschappij die had verzuimd u een echte opvoeding te geven en echte verantwoordelijkheden.

Die aanklacht is de reden dat ze u ‘als een hoer aan de haren voor de politierechter gesleept’ hebben, zoals Flaubert het uitdrukt in zijn brieven. En wat u daarna nog allemaal is overkomen! Nadat uw bestaan eerst als een slecht voorbeeld werd gezien, werd het in de 20ste eeuw zelfs geheel en al ontkend. Niet alleen omdat u een romanpersonage bent, maar omdat zelfs dát niet echt zou zijn. Geen personage van vlees en bloed, maar een ‘product van een rol en een positie’, zoals de literatuurwetenschapper Jonathan Culler opmerkte. In weer een andere visie draait het niet om ú in de roman, maar om de tekst zelf – u zou hebben moeten wijken voor het schrijven zelf, voor de stijl van Flaubert die op de voorgrond is komen te staan. Inderdaad lijkt Flaubert meer liefde voor zijn gebeeldhouwde zinnen te koesteren dan voor u.

En ach, Emma, wat is eigenlijk erger? Dat uw leven is vervaagd tot inkt in de ogen van de literatuurcritici, of dat u juist zo écht wordt gevonden dat ze het hebben over de biologische drijfveren van uw liefdesleven? Misschien is het wel het beste wat u heeft kunnen overkomen: uitgewist worden tot er niets restte dan inkt en illusie. Alles beter dan dat gepraat over uw eierstokken!