Beter trots dan boos

Hij ziet er goed uit, heeft retorisch talent, is intelligent en gemakkelijk in de omgang. En dan schrijft de Amerikaanse presidentskandidaat Barack Obama in zijn vrije tijd ook nog bestsellers. Zijn boodschap: wees progressief én trots op Amerika.

Barack Obama op campagne in 2004 Foto Seth Perlman/AP ** FILE ** U.S. Democratic Senate candidate Barack Obama campaigns at the Illinois State Fair in Springfield in this Aug. 17, 2004, file photo. Although he's spent only two years in the U.S. Senate, Barack Obama has a long record of supporting liberal policies in the Illinois Legislature that could be used against him by opponents in his run for president. (AP photo/Seth Perlman, File) Associated Press

Barack Obama: The Audacity of Hope. Thoughts on Reclaiming the American Dream. Crown, 375 blz. € 18,99

Barack Obama: Dreams from myFather. A Story of Race and Inheritance. Three Rivers Press, 457 blz. € 14,99Oorspronkelijk verschenen in 1995

De Afro-Amerikaanse leiders Jesse Jackson en Al Sharpton schorten hun oordeel nog even op. Beide veteranen van de burgerrechtenstrijd steunen Barack Obama vooralsnog niet als kandidaat voor het presidentschap. Obama is immers geen echte brother; het getto is nooit zijn referentiekader geweest. Zelfs de zwarte Republikein Alan Keyes, in 2004 de tegenstander van Obama voor een senaatszetel in de in de staat Illinois, beschuldigde hem er tijdens de verkiezingsstrijd van geen echte Afro- Amerikaan te zijn. Hij voegde eraan toe dat Obama, die voor het recht op abortus is, evenmin op de stem van Christus kon rekenen.

Maar dat is precies het punt. Obama, kind van een zwarte vader uit Kenia en een blanke moeder met wortels in de staat Kansas, is inderdaad ongrijpbaar. Hij heeft niet zozeer een etnische als wel een exotische achtergrond. Hij werd geboren in Hawaï waar hij, afgezien van een verblijf in Indonesië, ook opgroeide. Hij woonde vier jaar in Jakarta omdat zijn moeder, Stanley Ann, was hertrouwd met een Indonesiër nadat zijn vader, Barack Obama senior, de benen had genomen. Hij studeerde in Los Angeles, New York (Columbia) en Boston (Harvard). Hij vond werk in Chicago, eerst als buurtwerker, later als jurist. Hij ging de politiek in op aanraden van vrienden. Hij won zijn eerste race, voor het parlement in Illinois, was daarna kansloos in de strijd om een zetel voor het Huis van Afgevaardigden in Washington en versloeg vervolgens in 2004 met opvallend gemak zes Democratische en een Republikeinse tegenstander voor de senaat. In november 2004 genoot hij al landelijke bekendheid, omdat John Kerry hem had uitverkoren om de prestigieuze keynote speech op de Democratische conventie in Boston te houden.

Obama gebruikt zijn vrije tijd om te schrijven. The Audacity of Hope is zijn tweede boek. In 1995 schreef hij Dreams from my Father, een boeiende mix van autobiografie en zoektocht naar zijn vader waarin hij tevens erkende hasj te hebben gerookt en cocaïne gesnoven. Toen hij er als politicus mee werd geconfronteerd reageerde hij laconiek: hij zei dat hij destijds nog niet wist dat hij de politiek in zou gaan. Een ander was er misschien niet mee weggekomen, maar dat is opnieuw het punt. De 45-jarige Obama geldt als de Tiger Woods van de politiek. Net als de zwarte golfkampioen koppelt hij het zeer Amerikaanse voorkomen van de geboren winner aan een jongensachtig, bijna onschuldig uiterlijk. ‘A black man with a funny name’, noemt hij zichzelf spottend in het voorwoord van zijn eerste boek. Dat was, in het mijnenveld van de Amerikaanse etnische identiteit, een meesterzet. Boodschap: hij kan zijn identiteit relativeren. Evenals Woods weigert hij de race card uit te spelen; hij wil worden beoordeeld op zijn prestaties.

Toch geeft hij in Dreams from my Father ruiterlijk toe te hebben geworsteld met zijn identiteit. Zijn vader heeft hij nooit gekend. Obama senior belandde als student econometrie in Hawaï, in de verwachting dat hij de kennis die hij Amerika opdeed zou aanwenden voor de ontwikkeling van zijn land. Op Hawaï ontmoette hij een blanke studente met wie hij trouwde, een zoon kreeg en die hij achterliet nadat hij een beurs kreeg voor Harvard; een tussenstop op de terugweg naar Nairobi. Nadat in Jakarta het tweede huwelijk van zijn moeder in zwaar weer belandde, hemelde ze haar eerste echtgenoot op: zijn zwarte identiteit, trots en intelligentie. Die koppelde ze vervolgens moeiteloos aan het karakter van haar zoon én aan de burgerrechtenstrijd in Amerika, zodat de jonge Barack al heel jong bekend was met de mars naar de vrijheid van Martin Luther King en de onverzettelijkheid van Rosa Parks. In de bibliotheek van de Amerikaanse ambassade waar zijn moeder werkte, kreeg Obama vervolgens de schok van zijn leven. In Life zag hij een gruwelijke foto van een zwarte man die in de knoop lag met zijn huidskleur en deze met een chemisch middel had bewerkt. Het experiment mislukte. In tegenstelling tot wat zijn moeder hem vrijwel dagelijks inpeperde was deze man dus niet trots op zijn zwarte voorkomen. Obama bleef in verwarring achter.

Eenmaal terug in Amerika sloeg zijn verwarring om in woede. Hij werd geconfronteerd met racisme, zocht aansluiting bij de zwarte basketbalwereld en gebruikte drugs. Pas veel later, nadat hij in Kenia het graf van zijn vader bezocht – die door een auto-ongeluk was overleden – accepteerde hij naar eigen zeggen zijn gemengde afkomst. Dat wil zeggen: niet als Afrikaans-Amerikaan, maar als Afrikaan en Amerikaan, zonder streepje. Zijn vader was een ambitieuze man die zijn dromen in Kenia niet had kunnen verwezenlijken. Zijn zoon en naamgenoot gaat in Amerika in de herkansing.

De laatste zin van van zijn tweede boek, The Audacity of Hope, is veelzeggend: ‘Mijn hart is vervuld van liefde voor dit land.’ Het is deze liefde, onnadrukkelijk opgeschreven en niet onvoorwaardelijk, die de kern vormt van het boek, dat al wekenlang de Amerikaanse bestsellerslijsten aanvoert. Inmiddels zijn ruim 800.000 exemplaren in druk verschenen. De woede die Jesse Jackson en Al Sharpton te pas en te onpas weten op te roepen en die bij beide mannen voortdurend vlak onder de oppervlakte lijkt te kolken, is Obama vreemd. In tien hoofdstukken (negen plus een epiloog) met no nonsense-titels als ‘Politiek’, ‘Grondwet’, ‘Ras’, ‘Geloof’ en ‘Gezin’ legt hij uit wat hij voorheeft met Amerika. Hij zoekt common ground, schrijft hij om de zoveel bladzijden. Gemeenschappelijkheid en samenwerking, maar wel onder voorwaarden: die van een Democraat die zich zorgen maakt over milieuvervuiling, het Amerikaanse militaire machtsvertoon in de wereld en het verlies van banen en werk in eigen land. ‘Als we geen actie ondernemen tegen de almaar toenemende ongelijkheid in Amerika’, waarschuwt hij, ‘een ongelijkheid die zich langs raciale lijnen voltrekt en daardoor de rassenstrijd aanwakkert, terwijl het land juist steeds zwarter en bruiner wordt, dan zullen onze democratie en economie daar schade van ondervinden.’

De Republikeinen hebben volgens hem de staat gebruikt om door middel van belastingvoordelen voor ondernemers de ongelijkheid tussen rijk en arm te vergroten. Obama wil belastinggeld aanwenden voor grootschalige omscholingsprojecten voor werklozen, betaalbare gezondheidszorg en de renovatie van verpauperde woonwijken.

Dat klinkt redelijk, maar verklaart op zich nog niet waarom zo veel mensen zijn gegrepen door het boek. Want makkelijk leesbaar is The Audacity of Hope niet, in tegenstelling tot Dreams from my Father. Zijn verhandelingen over de founding fathers, de buitenlandse politiek van Amerika sinds 1945 en de politieke cultuur sinds het presidentschap van Ronald Reagan (1981-1989) zijn verhelderend, maar je moet er wel even voor gaan zitten. Het is waarschijnlijk vooral de toon die Obama’s boek tot een succes maakt. Hij komt namelijk nergens over als een betweter. Hij geeft wel een richting aan, maar heeft geen kant en klaar recept voor de problemen in binnenland (globalisering) en buitenland (terrorisme) waarmee Amerika worstelt.

Obama schrijft dat de Amerikaanse politiek in een ‘dead zone’ is beland. Republikeinen en Democraten waren de afgelopen kwart eeuw volgens hem vooral bedreven in het binnenhalen van het eigen gelijk, met dien verstande dat de Republikeinen sinds Reagan het electoraat er vaker van hebben overtuigd dat zij ook gelijk hebben. Met hun strategie van polarisatie hebben de Republikeinen de Democraten in de verdediging gedrongen. Progressieve politici worden weggezet als archaïsche gelovigen in overheid en bureaucratie, vakbondsleden als losers, gettobewoners als misdadigers en pathologische studieobjecten, atheïsten als ondermijners van het gezin zonder moreel kompas, diplomaten als ruggengraatloze onderhandelaars en intellectuelen als weke naïevelingen die voorheen soft on communism waren en tegenwoordig soft on terrorism.

Obama verzet zich hier vanzelfsprekend tegen, maar hij steekt de hand ook in eigen boezem. De Republikeinen zijn erin geslaagd de thema’s van het debat te bepalen. De Democraten werden gedwongen te reageren en wie reageert heeft per definitie wat uit te leggen. De oplossing die Obama aandraagt voor een reveil voor zijn partij is even simpel als voor veel Amerikanen aanlokkelijk: erken het belang van typisch Republikeinse thema’s als patriottisme, ondernemingszin, gezin, geloof en normen en waarden. Maar geef ook aan dat Amerika in de toekomst op het gebied van milieu, terreurbestrijding, en het behoud van werk en banen voor uitdagingen staat die niet kunnen worden opgelost met het jargon van Republikeinen in de afgelopen 25 jaar. Streef waar mogelijk naar samenwerking met de Republikeinen, maar geef ook aan dat de Democraten beter in staat zijn de nieuwe problemen op te lossen.

Dat geldt vooral voor de buitenlandse politiek. Obama had vanaf het begin geen vertrouwen in het Amerikaanse avontuur in Irak. Hij sprak zich ruim voor de invasie tijdens een demonstratie in Chicago al uit tegen de oorlog, hoewel zijn adviseurs hem dat hadden afgeraden. Daarmee stak hij zijn nek uit, maar hij geeft te kennen dat het hem geen enkele voldoening geeft om achteraf zijn gelijk te behalen. In plaats daarvan spreekt hij na een bezoek aan Irak zijn bewondering uit voor de geest van ‘Amerikaans vernuft, rijkdom en technische know-how’. Zijn landgenoten zijn er immers in geslaagd ‘hele steden te planten in vijandig grondgebied’. Dat is een Republikeinse benadering: wees trots op wat Amerika in de dorre woestijn heeft neergezet. Maar zodra hij zich buiten de Groene Zone begeeft waar het Amerikaanse bestuur zich heeft gevestigd, krijgt de lezer een andere boodschap mee: de onderneming is allesbehalve een succes. Een van zijn medewerkers spreekt in Falludja, in de gewelddadige Anbar-provincie, zelfs een Amerikaanse soldaat die pleit voor volledige terugtrekking van het leger. Zo ver gaat Obama niet, maar hij schrijft wel dat de strijd in Irak alleen met politieke in plaats van militaire middelen kan worden gewonnen. Het slimme van zijn betoog schuilt in de subtiele signalen die Obama de lezer geeft: altijd al tegen de oorlog, maar geen onuitstaanbare betweter; bewondering voor Amerikaans technisch en militair vernuft, maar ook oog voor de bittere politieke werkelijkheid van Irak.

Obama is relatief jong (45) en pas twee jaar senator. In de Amerikaanse pers is gesuggereerd dat hij daardoor de ervaring mist om een succesvolle gooi te doen naar het presidentschap. Maar in vergelijking met de huidige president geeft hij blijk van een grote belangstelling voor de buitenlandse politiek. Obama heeft bovendien veel meer van de wereld gezien dan de meeste van zijn Amerikaanse generatiegenoten. Door zijn verblijf in Indonesië en zijn bezoeken aan Kenia weet hij hoe willekeur, corruptie en geweld een samenleving kunnen ontwrichten. Wat hij in die landen aan den lijve ondervond, is dat de buitenlandse politiek van Amerika niet per definitie goed uitpakt. Amerikaans beleid, schrijft hij in The Audacity of Hope, ‘is soms gebaseerd op foute veronderstellingen, […] die de legitieme aspiraties van andere volken ontkennen, onze eigen geloofwaardigheid ondermijnen en van de wereld een gevaarlijker oord maken.’ Dat is een uitzonderlijke uitspraak voor een Amerikaanse presidentskandidaat en een breuk met het recente verleden. Sinds Reagan was het startschot voor succes in de politiek immers de verklaring dat Amerika een is land dat niets fout kan doen.

Is Amerika rijp voor de eerste zwarte president? In een portret in de New Yorker wees hij zelf op de verkeerde veronderstelling van die vraag. In het landelijke zuiden van de staat Illinois, waar hij campagne voerde, kwam hij veel mensen tegen die hem herinnerden aan de familie van zijn blanke moeder. ‘Ik ken deze mensen,’ zei hij. ‘Het zijn net mijn grootouders. Hun houding, hun mentaliteit, hun gevoel van goed en fout – het komt mij volledig bekend voor.’ Dat is een belangrijk deel van zijn kracht: hij vormt geen bedreiging voor blanken. Evenmin heeft hij de loodzware bagage waarmee de grote favoriet Hillary Clinton aan de race om het presidentschap begint. De grote vraag is of zijn kandidatuur aanslaat in het Amerikaanse zuiden, met zijn overwegend behoudende bevolking. Aan de andere kant: na acht jaar Clinton en acht jaar Bush is Amerika wellicht toe aan een nieuw gezicht en een nieuw verhaal. De eerste post-raciale zwarte presidentskandidaat heeft zich gemeld. Misschien te vroeg, maar misschien ook wel precies op tijd.

    • Menno de Galan