Beha uit, en dan praten over Rilke

De gedichten van Mark Strand zijn een vreemd mengsel van absurde humor, seksuele fantasieën en vreemde stemmingswisselingen. Maar wat bedoelt hij eigenlijk?

Mark Strand Foto De Arbeiderspers De Arbeiderspers

Mark Strand: Gedichten eten. Keuze en vertaling Wiljan van den Akker & Esther Jansma. De Arbeiderspers. 176 blz. € 25,–

Toen ik de dikke bundel Gedichten eten van Mark Strand voor het eerst opensloeg, viel hij open bij het gedicht ‘Vrijage’. Het begint met deze zin: ‘Je valt op een meisje en vertelt haar daarom / dat je penis enorm is maar dat je hem zelf niet / durft te gebruiken.’ Dat is nog eens een handige tip voor het versieren van leuke meisjes. Het zou de binnenkomer kunnen zijn van een stand-up comedian, bedoeld om de zaal meteen plat te krijgen.

Het vervolg sluit er helemaal bij aan. Hoe ga je verder, na deze verleidelijke openingszin? Onze tipgever weet precies hoe het moet. Eerst nog even doorgaan over die enorme penis van je, en over de problemen die hij veroorzaakt. Daar kun je zelf ook niks aan doen, natuurlijk. De aanbevolen toon is die van het slachtoffer: ‘Hij staat zichzelf in de weg, zeg je, / en stelt bespottelijke eisen waaraan toch kort, / onopvallend in het donker moet worden voldaan.’ Het meisje zal zich van je willen afkeren, en dat blijkt ook de bedoeling te zijn. ‘Als ze haar ogen in afgrijzen dichtknijpt / neem je alles terug.’ Eerst schrik aanjagen, dus. Daarna moet de verleider het over een heel andere boeg gooien. ‘Je bent zelf bijna een meisje, / zeg je, en begrijpt waarom ze geschokt is.’ Het is de vraag of je haar met die bekentenis niet alsnog, en nu definitief, wegjaagt, maar ook dat blijkt onderdeel uit te maken van het grote verleidingplan: ‘Als ze op het punt staat weg te lopen, vertel je haar / dat je geen penis hebt, dat je niet weet // wat je bezielde. Je valt op je knieën.’ Er komt nog heel wat kijken bij dat verleiden. Maar dan is succes ook verzekerd: ‘Opeens / buigt ze voorover, kust je schouder en je weet / dat je goed zit.’ Dus zo moet het blijkbaar. Weer wat geleerd. Eenvoudig is het ook daarna nog niet, want uit het vervolg blijkt dat er nog heel wat theatraal gehuil en gevloek en gesmeek over en weer moet volgen, maar inmiddels kun je er wel vanuit gaan ‘dat je haar zult bezitten’ en dat zij later ‘jouw bruid zal zijn’, en met die verzekering is deze versierles (van twintig regels) ten einde.

Dit was mijn kennismaking met de dichter Mark Strand, van wie ik niet veel meer wist dan wat de flaptekst over hem meldde: dat hij in 1934 is geboren en geldt als een van de belangrijkste dichters van Amerika, dat hij Poet Laureate was en ‘een groot aantal prijzen’ won. Zou ik het vrijage-gedicht een goed gedicht moeten vinden? Geestig? Vrijgevochten? Stoer? Eigentijds? Ik weet nog steeds niet wat de dichter wil beweren met dit vreemde mengsel van absurde humor, seksuele fantasieën en eigenaardige stemmingswisselingen (‘Je graait naar haar slipje en smeekt om vergeving’). Het trekt in ieder geval wel de aandacht. Dat geldt ook voor het begin van een kort prozastuk: ‘Een paar maanden geleden werd ik verrast door mijn zoontje van vier. Hij zat voorovergebogen mijn schoenen te poetsen, toen hij plotseling opkeek en zei: „Het gaat niet goed met mijn vertaling van Palazzeschi”.’ Waarna het zoontje losbarst in een klaagzang over de problemen die hij ondervindt bij zijn vertaalwerk. Wat het vierjarige schoenpoetsertje zegt is niet onzinnig, maar natuurlijk veel te wijs voor zijn leeftijd. Ook in de vier daaropvolgende prozastukken over de problematiek van het vertalen gaat het vreemd toe. De kleuterjuf van zijn zoontje komt langs, knoopt haar blouse open, maakt haar beha los, laat beide op de grond vallen – en begint een goed gesprek over het vertalen van Rilke. Even later zit de dichter in bad en ziet plotseling Jorge Luis Borges de badkamer binnenkomen. Ook hier ontspint zich een hoogintellectuele verhandeling over de problemen bij het vertalen van allerlei dichters.

Verering

Er zit een journalistieke kant aan deze gedichten: aandacht proberen te trekken met bijzondere beginzinnen, een vermakelijke opzet, humor en seks, een verhalende inslag. Moeilijk zijn ze niet, wel vaak raar – en het rare neigt soms naar het maniakale.

Wat moest ik vinden van deze surrealistische gedichten? Ik ging op zoek naar een gemeenschappelijk kenmerk, maar vond dat vooralsnog niet. Toen probeerde ik het via een omweg. De vertalers Wiljan van den Akker en Esther Jansma voorzagen hun vertaling niet van een nawoord, maar in een oud nummer van het tijdschrift Awater (najaar 2005) vond ik wel iets wat daarvoor door zou kunnen gaan, in de vorm van een gezamenlijke brief (in het Nederlands) aan hun dichter. Daaruit spreekt verering, maar voor wat eigenlijk? Het blijft allemaal vaag. ‘Je nieuwe gedichten hebben ons weer in het altijd aanwezige onbekende gekieperd. In het onbenoembare, ongrijpbare, onkenbare, onbereikbare, onzegbare.’ Het is complimenteus bedoeld. ‘Je gedichten bevragen het onnoembare, maar zullen het nooit benoemen. In het benaderen ligt het bevatten. Tegelijk maak je het omcirkelen van dat onzegbare tot definitieve voorwerpen, namelijk gedichten. De lezers, in elk geval ondergetekenden, tuimelen steeds weer in een ruimte die zich ergens tussen het absolute niets en de dingachtigheid van de taal moet bevinden.’ Enzovoort. Zou de dichter dit zelf begrepen hebben? ‘Steeds schrijf je dingen op door ze niet op te schrijven, spaar je het onbenoembare uit in de taal.’ Het zijn alleen de hele groten die dat kunnen natuurlijk. Het klinkt allemaal erg intellectueel, en geleend, in de termen van de oude school van de autonome poëzie, het gedicht als een ding, taal als instrument, het wit en het niets, maar hoe zou bijvoorbeeld het rare vers over de meisjesschrik met zijn enorme leuter daarmee van een zinvolle lezing kunnen worden voorzien?

Een andere omweg dan. Ik herinnerde me een Strand-vertaling in een van de bundels van Ingmar Heytze, toch niet bepaald een liefhebber van de ruimte tussen het absolute niets en de dingachtigheid van de taal. Het was een gedicht over een man die zich al dagen lang bekeken weet door iemand die voor zijn huis staat. De huisbewoner probeert de man weg te krijgen, te ontmoedigen en te intimideren, tot in het absurde: ‘Ik schrijf / lange zelfmoordbrieven / en hang ze zo op, dat hij / ze makkelijk kan lezen. / Ik verniel de huisraad / om te laten zien dat ik / niets van waarde bezit.’ Maar niets helpt. Het is spannend, maar ook vreemd – zeker als de gekwelde man dan maar besluit, bij wijze van vlucht, vanuit zijn kelder een tunnel te gaan graven naar de tuin van zijn buren – om zijn stalker te ontlopen. Daar komt hij dan eindelijk boven, doodmoe, ‘hopend dat iemand me helpt’. Het past wel bij het absurde gegeven dat er vervolgens niemand komt opdagen en dat hij dan dagenlang zo blijft zitten. Aan het slot is er niets aan zijn toestand veranderd: ‘Ik voel / dat ik bekeken word en soms / hoor ik een mannenstem.’ We weten het niet zeker, maar vermoeden het wel: dat zou wel eens de stem van de stalker kunnen zijn, en misschien spreekt hij nu wel vanuit het door de man verlaten huis. Zo ja, dan zouden de rollen omgedraaid zijn.

Ook hier ontbreekt een echte clou, maar ik meende er toch een sleutel voor veel van Strands gedichten aan te kunnen ontlenen. Het motief van het bekeken worden, meestal door een vreemde, meestal in het donker, is bij hem vaker aanwezig, net als de poging om er via een rare ingeving (droom, fantasie, absurde uitvlucht) aan te ontkomen. Het zou een verzinnebeelding kunnen zijn van de poging om aan zichzelf, of aan de leegte in zichzelf, te ontkomen: willen opgaan in een ander, verloren willen raken in een buitenwereld. Maar vaak loopt die poging op niets uit, of blijft halverwege steken – zoals bij de tunnelgraver die wel zijn eigen huis ontloopt, maar niet zichzelf en niet zijn eigen angst. Die stalker is misschien wel een stem in zijn eigen hoofd.

Dit patroon lijkt ten grondslag te liggen aan meer vluchtoefeningen van Strand. Daarbij hoort de gedachte dat de wereld nooit echt te kennen is – want als je je ergens in begeeft, maak je het stuk. En tegelijk ook de gedachte dat je overal maar beter weg kunt wezen, want dingen worden pas weer heel als jij weg bent – ‘ik beweeg / om dingen heel te houden’.

Sentimenten

Opgaan in anderen, proberen anoniem en leeg te zijn, mystieke opvlucht, overgave aan de droom – dat moet wel de motor zijn achter deze merkwaardig verhalende, nauwelijks rijmende en veelal clouloze gedichten. Vaak zie ik niet wat de ene regel met de volgende te maken heeft. Ik lees diepzinnig klinkende formuleringen, maar ook veel geneuzel. Soms slaat Strand een dromerige dichterlijke toon aan, maar ook dan maakt hij op mij meestal een geleende indruk. In het slotgedicht wordt heel vaag en gevoelvol gepraat over het boek van de avond dat opengeslagen wordt bij de maan die tussen twee wolken door ‘een pad neerlegt’. Het is een pad ‘dat je wegvoert van wat je gekend hebt / naar plaatsen waar gebeurt waarnaar je verlangde, / zijn eenzame lettergreep als een zin die zweeft / op een grens van betekenis en wacht tot jij opnieuw / zijn naam zegt’ en zo voort, in één lange meanderende zin, maar wat staat er nu eigenlijk? Je kunt het allemaal heel langzaam lezen (‘zo langzaam dat het uren / lijkt te duren voor je de volgende bladzijde bereikt’) en er sprakeloos en stil van worden en denken dat er wonderwat gezegd en gesuggereerd wordt. Maar volgens mij staat er als het erop aankomt niet veel en wordt er alleen maar wat gezinspeeld op allerlei sentimenten zodat het lijkt alsof hier een heel gevoelige dichter zijn diepste roerselen laat zien.