Bedankt, Willem III

Glenn Willemsen: Dagen van gejuich en gejubel. Viering en herdenking van de afschaffing van de slavernij in Nederland, Suriname en de Nederlandse Antillen. Amrit, 327 blz. €24,95

‘Des Konings naam zij hooggeacht! [...] Hij maakte ons, arme Negers! Vrij / Van schande en slavernij! / God! Zegen Koning Willem drie / Voor zooveel gunstbewijs!’ Met de versie in het Sranan (op de wijs van Wien Neêrlands bloed) dankten slaven op 1 juli 1863 koning Willem III. De koloniale autoriteiten wilden de slaven – in Suriname en de Antillen waren dat er 45.000 – laten geloven dat ze hun vrijheid aan hem dankten.

Glenn Willemsen wil in Dagen van gejuich en gejubel de afschaffing van de slavernij voor een breder publiek belichten. Een loffelijk streven van de directeur van het Nationaal instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis. Het boek is het begin van een reeks. De stilte rond de Nederlandse rol bij slavernij is al langer doorbroken; en na de onthulling van het Nationaal Monument Slavernijverleden in 2002 door koningin Beatrix, die tot een rel leidde omdat (veelal zwarte) toeschouwers op afstand werden gehouden, is ook de doorsnee Jour- naalkijker op de hoogte. De slavernij haalde de geschiedeniscanon.

Maar het onderwerp blijft gevoelig. Het is in dit verband curieus dat Willemsen, van Surinaamse afkomst, de term ‘abattoir’ gebruikt om het slavenleven op de plantage te karakteriseren. Hij gebruikt ook de term ‘tot slaaf gemaakten’ voor ‘slaaf’ en ‘slavendrijver’ voor ‘meester’. Dat maakt een erg geforceerde indruk. Niemand betwist dat slaven vaak slecht werden behandeld, ook wreedheden en moorden kwamen voor. Maar binnen- en buitenlandse studies over plantageleven en demografie schetsen juist de nuance.

Willemsen geeft trouwens zelf terecht aan dat slaven ‘veeleer verwikkeld waren in constante onderhandelingen, waarin de veelzijdige grenzen tussen slaaf en meester telkens opnieuw werden beproefd en vastgesteld’. Maar hij laat daar weinig van zien. Planters hadden er geen belang bij slaven de dood in te jagen, dat was kapitaalvernietiging. In Suriname konden slaven hun vrijmaking vieren in nieuwe kleren door de opbrengst van hun eigen kostgronden.

Willemsen citeert uitgebreid uit het Tweede-Kamerdebat over de emancipatiewet. Dat geeft enig inzicht in hoe verschillende stromingen dachten. Maar meer context, bijvoorbeeld over de vraag waarom Nederland in tegenstelling tot Groot-Brittannië geen sterke abolitionistenbeweging had, was verhelderend geweest. Een interessant detail uit het Kamerverslag: afgevaardigden noemen vrijgemaakte slaven zwarte Nederlanders. ‘Niet allochtonen of vreemdelingen’, schrijft Willemsen met enige ironie. Nuttig zijn de historische documenten die met toelichting in bijlagen staan. Het ontging Willemsen niet dat in de Surinaamse vertaling van de emancipatiewet ontbreekt dat planters per slaaf 300 gulden schadeloosstelling kregen. Dat konden slaven beter niet weten.