‘Zijn ik is zo scherp dat het steekt’

Op het Gedichtenbal, gisteravond in Amsterdam, werd veel gedicht en weinig gedanst. Collega’s eerden er de Vlaamse dichter Leonard Nolens. „Toen ik zijn grootheid begreep, haatte ik hem en wenste hem dood!”

Het Gedichtenbal is een feestje dat maar niet los wil komen. In de tweede editie van het bal in Paradiso – de opening van Gedichtendag én van het literair festival Weerwoord – werd er, net als vorig jaar, op twee gedachten gehinkt. Eerst werden de VSB-nominaties bekendgemaakt, daarna was de grote zaal voor de dj.

Maar welke poëzieliefhebber wil dansen – zelfs al heeft tachtiger Louis Lehmann cd’tjes meegenomen – als tegelijk boven in het pand Leonard Nolens optreedt en een stoet dichters, onder wie Rutger Kopland, Gerrit Kouwenaar, Alfred Schaffer en Charles Ducal, speciaal voor hem geschreven gedichten voordragen? Of als beneden jonge honden Lucas Hirsch en Sieger MG over soundscapes heen declameren?

De avond begon met een lange performance van de Vlaamse dichter Dirk van Bastelaere, die zijn voordracht had gekoppeld aan een video, met een voice-over die zijn woorden herhaalde. De beelden vertoonden veelal explosies, met fragmenten van voorlichtingsfilmpjes bij nucleaire aanvallen. De performance was zes jaar oud, maar zal toen al flink gedateerd zijn geweest.

De zaal herademde bij het optreden van Anneke Brassinga (‘De dag staat als een bavarois paraat/ voor wie ik liefheb wil ik eten’) en genoot van de kennismaking met Al Galidi. Met geheven vinger, lijzig en droog, en tot ieders hilariteit, droeg hij steeds eerst een titel voor met de lengte van een kort verhaal en zei dan: „Nu het gedicht”. De Iraakse vluchteling schrijft prachtig uitwaaierende, lucide gedichten, soms ongemeen gevoelig (‘Ik wil je omhelzen/ zoals de golf de golf’), soms snerpend, als hij zijn ontvangst en verblijfstatus in Nederland aan de orde stelt.

Of hij legaal of illegaal is, weet hij niet, vertelt Galili na zijn optreden. Hij is sinds 1998 in Nederland en is een van de 26.000 asielzoekers om wie de politiek strijdt. Dat zijn bundel genomineerd is voor de grote VSB Poëzieprijs, maakt hem blij, al kreeg hij al eerder nominaties van andere prijzen voor andere boeken. Het maakt hem niet blij over Nederland: „Ik wil hier weg. Ik ben ziek, psychisch ziek.”

Gevraagd naar zijn verblijf in asielcentra telt hij dertien steden af op zijn vingers: „Dit is het land van straf. Elke dag moest ik me melden. Ik wilde naar Noorwegen, maar moest terug om een vingerafdruk. Grote mannen pakten me op. Wat ik nodig heb is een nummer. Als ik ergens geboren had willen zijn, is het in Nederland, maar niet zonder nummer.”

In een afgeladen zaaltje onderging Leonard Nolens vervolgens met machteloze gebaren van dankbaarheid, omdat hij geen woorden kon vinden, een defilé van gedichten voor hem. Zelf bracht hij de stemming erin met enkele van de hardcore gedichten uit zijn Een fractie van een kus, de Gedichtendagbundel. ‘Nog naakt en staande drink ik in de heet/ Gestookte keuken bier en rook een sigaret/ Terwijl zij knielt en mij aandachtig pijpt/ Ik zie ons niet en hoor het langzaam sneeuwen’.

Twee optredens vielen uit de toon, omdat je je eigenlijk alleen bekommerde om de vraag of de dichters er wel hadden mogen staan. De oude Kopland was verward en leek niet helemaal hersteld van een ziekte. En Rogi Wieg, van wie bekend is dat hij een psychiatrisch verleden heeft, oogde suf van de medicijnen, en in de war van alle drukte.

Verder was het genieten, van de krasse Kouwenaar, de etherische Miriam Van hee en een somberende Schaffer. De show stal de Vlaming Charles Ducal. Zijn hommage was een openhartig gedicht over jalousie de métier. Over hoe hij op school over Nolens leerde, zelf als dichter met ‘ik’ en ‘jij’ aan de slag ging, zich afvragend hoe Nolens „zijn ik kon slijpen tot iets zo scherp dat het steekt”, de grootheid van Nolens beschouwde, en begreep „dat ik hem haatte en wenste hem dood!”

Waarop Ducal zich direct hoffelijk naar Nolens boog en hem „zo van dichtbij” een lang leven toewenste.

    • Ron Rijghard