Ruimte voor alternatieven?

Het was drie maanden na de val van de Muur, dus begin maart 1990. De Europese Beweging hield haar jaarlijkse ‘Europese Beraad’, ergens in Gelderland. Voor dit gezelschap hield de toenmalige minister van Buitenlandse Zaken een verhaal over Nederlands beleid. Het was een klassiek verhaal: Europa en de NAVO waren de pijlers van dat beleid.

In de discussie vroeg een van de aanwezigen of de val van de Muur niet iets grondig had veranderd: Duitslands hereniging was nu onvermijdelijk, dit land tot het grootste van Europa makend, op dit punt niet langer afhankelijk van zijn partners. Een machtsverschuiving binnen Europa dus.

Maar dat was niet alles. Het einde van de Koude Oorlog kondigde het uiteenvallen van het sovjetrijk aan. West-Europa hoefde agressie uit het oosten niet langer te vrezen, was dus, wat dit betreft, minder afhankelijk van de Verenigde Staten geworden. De NAVO had, met andere woorden, haar ratio verloren. Ook hier dus een interne machtsverschuiving, nu binnen de Europees-Atlantische verhouding.

Het antwoord van de minister kwam hierop neer: niets aan de hand, Europa en NAVO bleven de pijlers van Nederlands buitenlandse politiek. Natuurlijk had de vragensteller geen uittreding uit die pijlers bepleit – je gooit geen oude schoenen weg voordat je nieuwe hebt – maar wél besef dat er iets grondig was veranderd, wat tot nadenken over Nederlands positie noopte.

Ruim tien jaar later kwam 9/11, dat de wereld waar Nederland toe behoorde, met een geheel nieuwe vijand confronteerde. Hierdoor werden de coördinaten van zijn traditionele buitenlandse politiek opnieuw door elkaar gegooid. In die situatie bevindt die politiek zich nog. Tijd dus om, al was het slechts bij wijze van gedachtenoefening, over alternatieven na te denken.

Dat heeft een groep medewerkers van het Haagse Instituut Clingendael gedaan. In een boekje Verboden toespraken getiteld, hebben zij vijf lezingen gepubliceerd „die de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken niet zal houden” – lezingen waarin alternatieven voor de huidige buitenlandse politiek worden geschetst.

Over twee van die lezingen schreef ik hier op 11 januari. De tekst daarvan had in de Volkskrant gestaan, vóór verschijning van het boekje. Achteraf bleek dat die tekst sterk bekort was, wat op dat ogenblik niet helemaal duidelijk was. Maar nu is dan de onverkorte tekst van alle vijf lezingen beschikbaar.

De vijf schrijvers hebben één ding gemeen: „de wetenschap dat de ‘common sense’ van de beginjaren ’80 nutteloos bleek na de val van de Muur (en) dat 9/11 het strategische paradigma onherroepelijk heeft veranderd” – een soortgelijk uitgangspunt dus als de vragensteller in maart 1990 had ingenomen. Ze hadden ook de opkomst van China en India kunnen noemen.

Verder gaan de vijf schrijvers ieder hun eigen weg, zodat in die lezingen weliswaar vaak radicale voorstellen worden gedaan, die elkaar echter even vaak afsluiten. Zo laat een „uitverkoren alliantie” tussen Nederland, Amerika en Israël zich moeilijk verzoenen met een „militair geëmancipeerd Europa, onafhankelijk van Washington” – wat ook de verdiensten van elk afzonderlijk voorstel mogen zijn.

Zulke gedachtenoefeningen zijn natuurlijk aardig en ook wel nuttig, maar hier spreekt toch te weinig het besef door dat ook een Nederland dat zich zou willen emanciperen van hetzij zijn Atlantische, hetzij zijn Europese banden, niet volkomen vrij zou zijn de bakens te verzetten.

Slechts hier en daar komt dit besef om de hoek kijken: „De echt grote problemen zijn alleen door de EU op te lossen, daar heeft Den Haag geen vat meer op. Wie denkt dat Nederland nog iets te zeggen heeft over brandende kwesties als de zekerheid van energietoevoer, de oorlog tegen het terrorisme of het stoppen van de verspreiding van massavernietigingswapens, die heeft het faliekant mis.”

En dat staat in een lezing die radicale wijziging van het buitenlandse beleid bepleit! Ook in de slotlezing, waarin de noodzaak wordt uitgesproken „dat markten worden gebreideld op basis van waarden als rechtvaardigheid en gelijkheid” – een antimondialistisch standpunt dus – wordt er en passant even aan herinnerd dat „ons land natuurlijk niet in zijn eentje de internationale wet kan verzetten”.

Zo blijft er eigenlijk slechts één alternatieve optie over waarin Nederland wél vrij kan handelen: Nederland kan inderdaad, als het dit zou willen, de ontwikkelingssamenwerking afschaffen, wat in lezing III op redelijke wijze bepleit wordt. Hier is Nederland niet afhankelijk van andere landen of machten. (In lezing I worden „de zegeningen van het kalifaat” bezongen, maar dat is geen Nederlandse optie, omdat dit afhangt van de moslims.)

De werkelijkheid van vandaag is dat, ook nu NAVO en EU grotendeels uitgehold zijn of althans hun oorspronkelijke bestaansreden en idealen grotendeels kwijt zijn, de marges voor een zelfstandige buitenlandse politiek buitengewoon smal zijn. Nog steeds geldt: gooi geen oude schoenen weg voordat je nieuwe hebt.

Hoe smal die marges zijn, heeft Nederland op ‘zwarte maandag’ (30 september) 1991 gemerkt, toen zijn Europese partners zijn plannen voor een hervorming van de EU in meer federale richting unaniem (behalve België) van tafel veegden. Dit is toen wel Nederlands grootste diplomatieke nederlaag sinds Nieuw-Guinea (1962) genoemd.

We moeten niet denken dat Nederlands diplomatieke positie sindsdien sterker is geworden. Na het referendum van 1 juni 2005, waarbij Nederland de Europese ‘grondwet’ verwierp, zijn zijn partners die die ‘grondwet’ wél hebben aanvaard, minder – als u wilt: nog minder – bereid naar Nederland te luisteren. En Frankrijk dan? Dat heeft die ‘grondwet’ toch ook verworpen? Tja, ook in Europa zijn sommige landen meer gelijk dan andere.

Ook dat heeft invloed op de relevantie van „radicale, maar goed gefundeerde voorstellen”, zoals de schrijvers van het boekje Verboden toespraken hun eigen voorstellen noemen. Een samenvatting of synthese ontbreekt dan ook. Hun enige nut is dat zij a contrario – en ongewild? – aantonen dat de ruimte voor alternatieven voor de huidige politiek buitengewoon gering is. Dat kan tot frustraties leiden die Nederland rijp voor een soort neutralisme maken. Op 1 juni 2005 hebben we daar al een eerste teken van gezien.

    • J.L. Heldring