Moskou hindert werk activisten

Een nieuwe wet in Rusland stelt niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) onder strenger toezicht. Een succesvol Nederlands bureau voor juridische hulp kan zich niet registreren.

MOSKOU, 25 JAN. - Weer boekte de Nederlandse organisatie Russian Justice Initiative (RJI) vorige week een zege op de Russische staat. Het Europese Hof voor de Mensenrechten acht het Russische leger schuldig aan marteling van de Tsjetsjeense broeders Tsjitajev in 2000, en de staat nalatig omdat het de klacht van de broers niet onderzocht.

Toch heeft het Moskouse bureau van RJI weinig te vieren: het is voorlopig gesloten. Een dag na het vonnis in Straatsburg viel een nieuwe afwijzing voor officiële registratie op de mat. Hoewel het licht brandt en de computers werken, mag men in Moskou dus niet de pers te woord staan of brieven versturen. Door bureaucratische incompetentie of obstructie?

RJI biedt bijna honderd Tsjetsjenen juridische bijstand bij het Europese Hof van de Mensenrechten, meestal in verband met moord, mishandeling of ontvoering door Russische troepen. Straatsburg is de laatste toevlucht als alle beroepen zijn uitgeput. Vorig jaar dienden Russische burgers daar 12.000 klachten in, een vijfde van het totaal. Het Hof wist slechts 102 vonnissen te vellen.

Een van die vonnissen betekende een mijlpaal voor RJI: in juli kreeg voor het eerst een Tsjetsjeense moeder 35.000 euro toegekend wegens de terloopse executie van haar zoon. Zij zag de student in 2000 op het avondjournaal en hoorde de Russische generaal Baranov blaffen: „Neem hem mee, verdomme. Maak hem af, schiet hem dood.” De zoon verdween, de generaal kreeg een medaille.

Met het succes kwamen problemen: de Federale Registratiedienst weigerde daarna meermalen RJI in te schrijven. Is RJI gekozen om te zien hoe assertief het Westen zijn ngo’s verdedigt? Daarvoor is het een ideale kandidaat: niet te groot, wel lastig en afkomstig uit een klein Europees land.

Begin vorig naar werd in Rusland een wet van kracht die buitenlandse niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) onder strenger staatstoezicht stelde. Omdat mensenrechtenactivisten en milieuactivisten regelmatig als westerse huurlingen en spionnen verdacht worden gemaakt, wekte die wet bezorgdheid. Probleem was dat de Russische wet op de ngo’s op zich niet veel verschilde van Westerse voorbeelden. „Alles hangt af van de uitvoering”, stelde een woordvoerder van Human Rights Watch. „Worden inschrijving van ngo’s geweigerd? Worden ze bedolven onder papierwerk, zodat ze niet aan hun werk toekomen?”

Grote ngo’s als Amnesty, Greenpeace of Artsen zonder Grenzen ondervonden geen problemen. Alleen het kleine Russian Justice Initiative kan zich maar niet inschrijven. Jan ter Laak, voorzitter van RJI, legt uit hoe dat gaat. Op 11 oktober, ruim voor de deadline, leverde RJI zijn eerste aanvraag in. Die deugde niet, legde een ambtenaar van de Federale Registratiedienst uit. Men maakte gedetailleerde afspraken.

RJI sprokkelde de nodige documenten bijeen en stuurde de aanvraag begin november opnieuw. Op 15 november volgde een afwijzing. Reden: volgens het handvest van RJI moeten twee bestuursleden de aanvraag tekenen, niet één. Met de ambtenaar was afgesproken dat het zo wél kon, zegt Ter Laak. Maar die bleek op vakantie, en haar plaatsvervanger wist van niets. Dus moest alles over. Documenten gingen over en weer tussen Amsterdam en Moskou, notaris erbij, vertaler.

Klopt alles zo, vroeg RJI in december. Zeker, bevestigde de tweede ambtenaar. Op 11 januari ging dus de nieuwe aanvraag de deur uit, op 19 januari volgde een afwijzing. Nu maakte de Registratiedienst bezwaar dat RJI als ‘representative office’ werd ingeschreven in plaats van ‘branch office’. Waarom hoorden we dat niet eerder, vroeg RJI. Wel, de tweede ambtenaar was vervangen door nummer drie, en die had eigen ideeën. Weer twee weken tijdverlies en een paar duizend euro kosten. Alle documenten opnieuw, naar de notaris, de rechtbank, met de post naar Moskou, vertaald door een beëdigd vertaler.

Ter Laak: „Dit kan gaan over ambtelijke chaos of één dwarsliggende ambtenaar. Maar wij vermoeden toch instructie van boven. Zo kunnen ze ons eeuwig met technische details aan het lijntje houden.” Chef Anatoli Pantsjenko van de Registratiedienst verzekert hij niets tegen RJI heeft: hij ziet zichzelf als welwillende bureaucratische leermeester. RJI is slordig. „Ze beroepen zich telkens op mondelinge afspraken met ambtenaren. Waar is hun bewijs?”

Dat die ambtenaren steeds veranderen blijkt beleid. „Ik rouleer mijn ambtenaren om te voorkomen dat ze corrupt worden. Nu kijken ze steeds met een frisse blik naar aanvragen.” Dreigend: „Wees blij dat ik niet op de zaak zit, ik vind de meeste fouten.” Daarom is Pantsjenko immers chef. Maar, belooft hij: „Als ze doen wat we zeggen komt het goed. Die Nederlanders zullen me dankbaar zijn. Door al dit werk is hun administratie nu wel mooi op orde.”

    • Coen van Zwol