Kaya’s Rotterdam

Rotterdam, daar gebeurde het de afgelopen jaren. De stad fungeerde als politieke proeftuin voor het land. Pim Fortuyn begon er zijn opmars. De sociaal-democraten, die Rotterdam decennialang bestuurden, kregen in 2002 electoraal klop van de Leefbaren. Zij zetten met flink wat kabaal ramen en deuren open. Het breken van het machtsmonopolie van de Partij van de Arbeid en het bespreekbaar maken van alles wat onbespreekbaar was gebleven – te vangen onder de noemers integratie en veiligheid – waren de verdiensten van Leefbaar Rotterdam.

Na de raadsverkiezingen van 2006 wees de partij een coalitie met de PvdA af. Dat was een fout die geen recht deed aan de uitslag en die de stad opzadelde met een college dat pit ontbeert omdat er meer stembusverliezers dan -winnaars in zitten. Na de verkiezingen viel het onkarakteristiek stil in de Maasstedelijke politiek.

Het wachten was op een nota van de nieuwe wethouder voor Participatie en Cultuur, Orhan Kaya van GroenLinks. Hij heeft er acht maanden over gedaan om de problemen waarmee een stad met 168 nationaliteiten per definitie kampt samen te vatten in een notitie van tien pagina’s. Het is niet de geringe omvang van het stuk die stoort. Integendeel, het is de vrijblijvende aard ervan. Die doet vrezen voor de gevolgen van Kaya’s beleid.

Niet integratie of polarisatie – maar ‘meedoen’ is zijn motto. Dat is op zichzelf een mooie vondst. Het aanwakkeren van de tegenstelling tussen moslims en niet-moslims was doorgeschoten. Het gehamer op het aambeeld van het allochtonisme begon sleetse trekken te krijgen. De stembusuitslag met forse winst voor de PvdA gaf dat ook helder weer. Participatie, of stadsburgerschap, zoals Kaya het noemt, is een vorm van betrokkenheid die het normbesef bij de burgers van een grote, multi-etnische stad wel degelijk kan aanwakkeren. Maar zonder vastomlijnde doelen en deadlines en degelijke financiële onderbouwing is participatie niet te bevorderen. Afdwingbaar is het nooit.

Kaya heeft verzuimd dit alles in zijn nota op te nemen. Dat maakt zijn voornemens krachteloos. Ook in de Rotterdamse politiek wordt beleid met macht gemaakt. Kaya en zijn partij, GroenLinks, zijn dat misschien niet gewend. Door deze slappe kost maken zij – en met hen het hele college van burgemeester en wethouders – zich kwetsbaar voor de oppositie. Leefbaar Rotterdam hoeft de bal alleen maar in te koppen.

De lang overleden staatssecretaris van Volkshuisvesting Jan Schaefer (PvdA), een volbloed machtspoliticus en een man die bekend stond om zijn ronde taalgebruik, zei ooit na een wollig debat over stadsvernieuwing: „In gelul kun je niet wonen.” Dit was grof maar juist, en het zijn gevleugelde woorden geworden. Met respect voor de goede bedoelingen van wethouder Kaya: hij heeft er te lang over gedaan om een stuk af te scheiden dat geen gezag afdwingt en dat hoogstens een discussienota is. Het is een algemeen filosofisch betoog dat Rotterdammers tot niets verplicht.