Eigen volk

Grote huizen in Portugal zijn grote huizen. Ik voel de noodzaak hier nadrukkelijk op te wijzen omdat men onder grote huizen in Nederland, in acht van de tien gevallen, driekamerwoningen verstaat met een extra berghok. Men beschikt over meer ruimte in Portugal, de rijkaards doen er dikker en de gezinnen zijn er kroostrijker. Veel kroostrijke gezinnen moeten zich hier ook met twee kamertjes behelpen, zeker, maar dat komt omdat ze enkel rijk zijn aan kroost.

Ik woon zelf in een van de vier grote huizen van het dorp. Een knappe prestatie, zonder kroost en zonder geld. De andere drie huizen staan altijd leeg. Het huis, genaamd Casa Grande, wordt met de dag bruiner en antieker. Het huis van doutor Marques verlangt naar een witkwast. En dan heb je het rode huis van Maria do Céu. Haar man zaliger bezat de grootste biscuitfabriek van het land en je hoort verhalen over haar immense rijkdom.

Van een biscuitje word je niet rijk. Wel als het hele land alleen jouw biscuitjes eet.

Maria do Céu woont meestentijds in de stad. Haar huis daar is als een slagschip, een draak, hoe moet ik het noemen. Het is al even rood en beslaat een hele straatkant in Coimbra, met een dolzinnig aantal trappen, veranda’s, luiken en balustrades. Rococo uit de jaren dertig. Het maakt alleen al door de omvang een ongenaakbare indruk. Een ijspaleis, hoe rood het ook is.

Eén keer per jaar verwaardigt de weduwvrouw zich naar haar oude dependance in Vila Pouca terug te keren. Altijd aan het eind van de zomer. Dan hangt ze een bord met ‘Appels te koop’ tegen de boom voor haar huis en gaat zitten wachten.

De mensen uit het dorp zouden de appels eens kunnen oprapen om ze aan de varkens te geven.

Alleen door haar dood kan er weer leven in het rode huis komen. Nu is het van haar en van haar alleen.

Mijn witte huis kijkt uit op de appeltent van Maria do Céu. Dat ik hier woon komt, behalve door de crisis op de huizenmarkt van destijds, door het feit dat de eigenares per se een buitenlander wilde. Al jaren, hoorde ik, had een dorpsbewoner een oogje op het huis gehad. Hij dreef een droevig motel aan de weg verderop en het was zijn droom van het huis een vrolijk pension te maken. Hij had geen schijn van kans.

Hoe zal het de andere huizen vergaan? Dat van doutor Marques en van het schatrijke biscuitvrouwtje? Hun panden zullen worden opgekocht door Duitsers, Hollanders of Belgen. Misschien dat de arrogante kleinzonen van het huis, dat Casa Grande heet, eindelijk zullen toehappen als een Japanner zich meldt.

De ware beschaving zal haar intrede doen.

Wat de grootgrondbezitters precies uitspookten onder een halve eeuw fascisme, niemand wil het hardop vertellen. Na de revolutie kozen ze voor de vlucht. Door de exploitatie te stoppen en de achterblijvers in het dorp niets te gunnen maakten ze het allemaal nog erger.

Maar de oude frontsoldaat, de Opus Dei-familie en de fabrikantenweduwe, wat houd ik eigenlijk van ze.

    • Gerrit Komrij